|
| HOME |
Betere kans voor donorwerving
Juli 2004
Bezwaarsysteem neemt vrijblijvendheid weg
Als er voor orgaandonatie een bezwaarregeling wordt ingevoerd, zal 35
procent van de mensen bezwaar registreren; 65 procent doet dat niet en
stemt dus toe. Een grote verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
Eind april verscheen de Tweede evaluatie van de Wet op de orgaandonatie (WOD)
in opdracht van ZonMw uitgevoerd door het NIVEL. Waar bij de eerste
evaluatie geen onderzoek werd gedaan naar het in de wet opgenomen
beslissysteem, was bij de tweede evaluatie juist de expliciete opdracht
aan de onderzoekers om over de effectiviteit ervan een uitspraak te doen.
De centrale vraag bij de evaluatie is of een verandering van het
beslissysteem zal leiden tot een toename van het aantal orgaandonoren.
De onderzoekers hebben gekeken naar de wetgeving op het terrein van
orgaandonatie in de ons omringende landen. Zij stellen vast dat welk
wettelijk systeem dan ook ‘niet de enige dan wel de bepalende factor is
voor het aantal donoren’. Voorts constateren zij dat zowel in een
toestemmingssysteem als in een bezwaarsysteem het zelfbeschikkingsrecht
van burgers tot zijn recht kan komen. Iets waarvan niet alle Haagse
politici geheel doordrongen lijken te zijn.
De onderzoekers merken ook op dat ongeacht het gekozen systeem het van
belang is dat er maatschappelijk draagvlak bestaat voor een
wetgevingssysteem.
De onderzoekers hebben bekeken of in de onderzochte landen een verband
valt vast te stellen tussen het geldende wetgevingssysteem in een bepaald
land en de resultaten in termen van ‘opbrengst’ van organen. Hun conclusie
is dat, gecorrigeerd voor relevante mortaliteit, er geen duidelijke
relatie bestaat tussen een bepaald beslissysteem en de orgaanopbrengst.
Bij deze conclusie passen enkele kanttekeningen. Ten eerste laat een
nauwkeuriger analyse van de relevante mortaliteit zien dat analyse op
grond van slechts één mortaliteitscijfer niet representatief is. Bovendien
geldt dat naast relevante mortaliteit veel andere factoren mede bepalend
(kunnen) zijn voor de opbrengst van organen, zoals de
bevolkingssamenstelling, religiositeit, de rol van zelfbeschikking in een
bepaalde samenleving, ontzag voor autoriteit en het al dan niet bestaan
van een zekere traditie op het terrein van donorwerving.
Vervolgens moet worden opgemerkt dat de simpele classificatie van de
verschillende wetgevingssystemen weinig relevants oplevert, omdat er grote
verschillen bestaan tussen de wet en de wijze waarop in de praktijk
uitvoering wordt gegeven aan de wet.
Ten slotte: in de onderzochte landen zijn totaal verschillende
activiteiten richting publiek en ziekenhuizen ontwikkeld, die het
uiteindelijke resultaat in termen van opbrengst mede beïnvloeden.
Kleinschalig
De verklaring die de onderzoekers voor hun zeer kleinschalige evaluatie
gaven, was dat hun opdracht nu eenmaal beperkt was. Om dan de conclusie te
trekken dat welk wettelijk systeem dan ook ‘niet de enige dan wel de
bepalende factor is voor het aantal donoren’ achten wij onverdedigbaar.
Daar komt bij dat door de jaren heen duidelijk is geworden dat landen met
een bezwaarregeling doorgaans veel meer donoren hebben dan landen met een
ander beslissysteem. Dit blijkt ook uit het evaluatierapport: zowel in
Zweden als in Italië leidde de overstap op een bezwaarsysteem tot een
stijging van het aantal donoren van ongeveer 30 procent. Daarom is ook
niet goed te begrijpen dat de onderzoekers deze constatering zo
bagatelliseren. Het klopt dat de resultaten in Zweden daarna weer
achteruit zijn gegaan, maar dit heeft meer te maken met het totaal
ontbreken van een flankerend beleid in de ziekenhuizen dan met het gekozen
beslissysteem.
Draagvlak
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op de orgaandonatie - en
ook door de onderzoekers van het evaluatierapport - is opgemerkt dat een
regeling van orgaandonatie een maatschappelijk draagvlak moet hebben. Wat
draagvlak betreft, mag een onderzoek door het Rathenau Instituut van eind
2003 niet onvermeld blijven; daarin werd geconstateerd dat blijkens een
steekproef onder de Nederlandse bevolking tweederde een bezwaarregeling
steunt. Dit is een niet onbelangrijk gegeven.
De onderzoekers stellen dat er geen draagvlak is voor een bezwaarsysteem
waarin nabestaanden geheel buiten spel worden gezet. Daarmee zullen velen
instemmen, niet op de laatste plaats de artsen die met nabestaanden te
maken hebben in vaak zeer droeve en traumatische omstandigheden. Zij
zullen altijd praten met en luisteren naar nabestaanden, ongeacht welke
wettelijke regeling geldt. Wel zullen artsen ingeval van een
bezwaarsysteem, wanneer geen bezwaar geregistreerd is, de nabestaanden met
nadruk wijzen op de laatste wil van een overledene.
Knelpunt
In het evaluatierapport wordt gewezen op het belang van een goede
organisatie van de donorwerving in de ziekenhuizen. De afgelopen jaren is
op dat punt veel bereikt dankzij de inspanningen van de Nierstichting, het
ministerie van VWS en de Nederlandse Transplantatiestichting (NTS).
Er is in de ziekenhuizen een hoge mate van besef dat donorwerving
standaard deel uitmaakt van patiëntenzorg. Dat op zich is een grote winst,
ook al zijn zeker nog organisatorische verbeteringen mogelijk binnen de
ziekenhuizen. Deze zullen evenwel niet leiden tot een substantiële toename
van het aantal donoren.
Op dit moment vormt de wetgeving het werkelijke knelpunt. Het zijn niet
langer de in de ziekenhuizen gemiste donoren en het is dus ook niet de
organisatie van de ziekenhuizen waar het aan schort. Waar gaat het dan wel
om bij donorwerving?
Misrekening
Voor een succesvol donatieprogramma zijn drie zaken van belang: artsen en
ziekenhuizen moeten meewerken, burgers moeten bereid zijn donor te zijn,
en de wetgeving moet niet in de weg lopen.
De essentie van de huidige wet is dat burgers kunnen kiezen uit ‘ja
donor/nee donor’ of ‘laten mijn nabestaanden maar beslissen na mijn
overlijden’. De verkeerde aanname bij de totstandbrenging van de wet was
dat meerderjarige burgers in grote meerderheid een keuze zouden maken uit
deze mogelijkheden en die keuze zouden laten registreren. Dit is een
onvergeeflijke misrekening geweest. Van de Nederlandse bevolking maakte
maar ongeveer 40 procent een keuze en registreerde zich in het
donorregister. Ongeveer 60 procent van de bevolking deed niets. Meer
voorlichting zal die situatie niet wezenlijk verbeteren, zoals de
afgelopen jaren hebben bewezen. Dit heeft als resultaat gehad dat in 60
procent van de overlijdensgevallen niet bekend is wat de overledene wilde.
Die onbekendheid van een laatste wil van een overledene leidt er
vervolgens toe dat artsen doorgaans geen toestemming meer krijgen van de
nabestaanden. Dat is demotiverend voor de artsen in de ziekenhuizen en een
direct gevolg van het huidige beslissysteem dat door zijn vrijblijvendheid
ertoe heeft geleid dat 60 procent van de mensen geen keuze heeft gemaakt.
Dit moet anders als wij donorwerving serieus een kans willen geven. Een
bezwaarregeling biedt daartoe de mogelijkheid, want deze regeling neemt de
vrijblijvendheid weg. In het evaluatierapport wordt voorgerekend dat
wanneer een bezwaarregeling wordt ingevoerd, 35 procent van de burgers
bezwaar zal registreren. Dat betekent dat 65 procent van de burgers géén
bezwaar aantekent en dus toestemt.
Dat is een substantiële verbetering ten opzichte van de situatie van nu.
We weten op grond van omvangrijke praktijkervaring in de ziekenhuizen dat
wanneer er toestemming van de overledene is voor een donatie, de
nabestaanden in 90 procent van de gevallen met overtuiging instemmen. Het
is om die reden dat wij op basis van praktijkervaringen ervan overtuigd
zijn dat slechts de overstap naar een bezwaarregeling de enige
levensvatbare oplossing is voor het probleem van de lange wachtlijsten. De
overstap níet maken, betekent ronduit het aanvaarden van lange
wachtlijsten en doden op die wachtlijst. Dat lijken ook de mensen in de
peiling van het Rathenau Instituut te willen aangeven met het uitspreken
van hun voorkeur voor een bezwaarregeling.
Het moet nu duidelijk zijn dat handhaving van de huidige wetgeving in
toenemende mate de betrokkenheid van ziekenhuizen en artsen op de proef
zal stellen. Als evenwel van iedere burger bekend is wat hij wil, zullen
de ziekenhuizen nog meer kunnen worden aangesproken op hun inzet en
verantwoordelijkheid voor de donorwerving.
Overigens behoeft het geen betoog dat ook bij gewijzigde wetgeving het
inmiddels ingezette flankerende beleid in de ziekenhuizen gecontinueerd
dient te worden, zoals de ontwikkelingen in Zweden ons nog eens hebben
geleerd. Het is dus niet óf wetgeving óf flankerend beleid, maar én
wetgeving én flankerend beleid.
Bron: Medisch
Contact, juni 2004

|
|