Mijn ervaringen met longtransplantatie

| HOME |

Loyaliteit moet je koesteren

Juli 2004

De miskende rol van solidariteit bij orgaandonatie

Bij de verdeling van schaarse goederen zoals donororganen kan men zich laten leiden door verschillende principes. Naast rechtvaardigheid spelen er nog andere ethische principes die niet zomaar terzijde mogen worden geschoven.

Volgens Buijsen dient het begrip rechtvaardigheid het enige leidende ethisch principe te zijn bij de verdeling van schaarse goederen in de zorg. Dit principe kan volgens hem maar op één manier worden ingevuld: verdeling moet plaatsvinden naar behoefte op basis van objectieve medische criteria. Ook beleid op het gebied van orgaandonatie mag zich alleen hierdoor laten leiden. Op dit standpunt valt veel af te dingen. Eén ethisch principe kan onmogelijk recht doen aan de complexiteit van de gezondheidszorg. In de praktijk valt aan lastige afwegingen niet te ontkomen. In dit artikel beperken wij ons nadrukkelijk tot een verheldering van begrippen op het niveau van ethiek en beleid. Over praktijk en implementatie valt veel te zeggen, maar dat kan niet binnen dit bestek.

Wederkerigheid

Sommigen menen dat wederkerigheid evenzeer een leidend ethisch principe kan zijn, naast en in aanvulling op rechtvaardigheid. In dit principe is een vorm van solidariteit richtinggevend. Het voorstel van Den Hartogh om degenen die zich als donor laten registreren, beperkt voorrang te geven boven niet-geregistreerden wanneer zij een orgaan nodig hebben, is daarop gebaseerd. In dit voorstel krijgt iedereen bij registratie de keuze om ofwel onvoorwaardelijk te doneren ofwel (conditioneel) zijn donatie te beperken tot alleen degenen die zich ook hebben laten registreren. Bij de eerste optie kan men spreken van (onvoorwaardelijk) altruïsme, bij de tweede van (beperkte) solidariteit. De voorrangsregel is zo geconstrueerd dat iedereen beter af is, omdat een groter aantal registraties de wachtlijst voor iedereen korter maakt.
Buijsen is het hiermee niet eens. Zijn stelling luidt dat deze vorm van wederkerigheid niet te rijmen valt met de uitgangspunten in de zorg, waarin slechts ieders behoefte geldt. Deze behoefte is volgens medische criteria, zoals matching, urgentie en wachttijd geobjectiveerd, onafhankelijk van persoonlijke omstandigheden. Of men door eigen leefwijze ziek werd, mag geen rol spelen, noch het feit of men arm of rijk is. We zouden in die gevallen (om allerlei redenen) terecht van ‘onrechtvaardig’ spreken. Het solidariteitsprincipe bij orgaandonatie kan daarom, aldus Buijsen, geen optie zijn.
Zijn bezwaar steunt tevens op een juridisch argument. Hij vindt het solidariteitsprincipe juridisch geen optie, omdat het ‘in strijd is met hoger (internationaal) recht dat binnenkort ook voor Nederland geldt’. Voor wie, zoals wij, niet overtuigd is van zijn ethische argument, wordt een juridische blokkade opgeworpen. Spreken over het belang en de eventuele wenselijkheid van wederkerigheid, is blijkbaar niet meer dan ‘een interessante intellectuele exercitie’. Als niet-juristen hebben wij geen ander verweer dan ons te verbazen over deze juridische dogmatiek.
Wij voeren vier argumenten aan waarom wij vinden dat deze positie getuigt van morele blindheid. In het licht daarvan zou men opnieuw naar de wet- en regelgeving moeten kijken.

1. Het behoefteprincipe: nood lenigen
Het is een vergissing om te denken dat de regel ‘rechtvaardig verdelen naar behoefte’ het meest fundamentele principe is in de zorg. Het besef dat het van groot belang is om in zorgbehoeften te voorzien, is het primaire uitgangspunt van de gezondheidszorg. Dit ethisch behoefteprincipe waardoor we ons laten leiden, is de basis van de fundamentele plicht om waar mogelijk in behoeften te voorzien en nood te lenigen. Daaruit vloeit onvermijdelijk een tweeledige plicht voort, namelijk om het zo goed mogelijk en zo eerlijk mogelijk te doen.
Buijsen heeft een scherp oog voor de tweede kwestie maar gaat voorbij aan de eerste. Daarmee doet hij geen recht aan het vraagstuk als geheel en aan de complexiteit ervan.
Het probleem bij orgaandonatie is nu juist niet de verdeling (zo eerlijk mogelijk) maar de schaarste aan organen (zo goed mogelijk). In onze ziekenhuizen maken wij dagelijks mee dat mensen te lang ziek zijn of dood gaan op de wachtlijst. Wij slagen er niet in als samenleving, in strijd met dit behoefteprincipe, ernstige nood te lenigen. Bij de verwerving van organen stuiten we op een complicatie. We kunnen de verwerving en verdeling onmogelijk, zoals Buijsen voorstelt, als twee losstaande zaken zien. Stel, dat door het voorstel van Den Hartogh aanzienlijk meer mensen gemotiveerd zijn om hun organen af te staan en iedereen beter af is. En stel dat de wachttijd aanzienlijk wordt gereduceerd met een winst van bijvoorbeeld enkele weken tot maanden. Dan zou daarmee iedereen geholpen zijn en een enorme nood worden gelenigd. Deze uitkomst afwijzen op grond van een rechtvaardigheidsbeginsel overtuigt niet, tenzij wordt uitgelegd waarom dit rechtvaardigheidsbeginsel zwaarder weegt en fundamenteler is dan het behoefteprincipe om waar mogelijk ‘nood te lenigen’. Buijsen verzuimt dat te doen. In de complexe werkelijkheid van de zorg staan verschillende ethische plichten met elkaar op gespannen voet. Onvermijdelijk zijn daarmee lastige ethische afwegingen gegeven waarvoor men niet blind mag zijn.

2. Partijdig principe: loyaliteit en solidariteit
De regel ‘rechtvaardig verdelen naar behoefte’ wordt in de praktijk van de zorg vaak niet opgevolgd, en met goede reden. Wie bij leven een nier doneert - het is niet zomaar een voorbeeld - maakt zelf uit aan wie hij geeft: broer, partner, vriend, bekende, of aan wie men maar wil. Gewoonlijk wordt een dergelijke donatie als achtenswaardig gezien. In de zorg werkt men er graag aan mee: nood kan men zo immers direct lenigen. Het gaat nog verder. Wie als nierpatiënt een donor ‘inbrengt’, mag erop rekenen dat via een cross over wordt gezocht naar een vreemde donor, wanneer er geen match is met de bevriende donor. Hoe men deze praktijk van levende donatie ook typeert - als gift, altruïsme, wederkerigheid of ruil - er wordt niet verdeeld op basis van onpartijdigheid overeenkomstig de hoogste urgentie, grootste behoefte of langste wachttijd. Er is daarentegen sprake van partijdigheid, waarbij diegenen worden geholpen die ‘toevallig’ vrienden hebben (al dan niet door eigen verdienste).
Deze praktijk moeten wij als immoreel verwerpen als we aan ‘rechtvaardigheid’ de invulling geven die Buijsen eraan geeft. Maar hoe kan iets dat achtenswaardig wordt gevonden tegelijkertijd immoreel zijn? Het succes van orgaanverwerving bij levende donatie moet toch te denken geven. Weinigen geven (puur altruïstisch) ‘zomaar’ een orgaan weg aan een vreemde, maar velen blijken met alle liefde aan een bekende te willen geven. In de persoonlijke ethiek van mensen is het hemd veelal nader dan de rok. Partijdige gevoelens en motieven spelen een grote rol. Hoe wij ze ook duiden, als loyaliteit met mensen waarmee men nauw verwant is, of als solidariteit met mensen waarmee men zich verbonden voelt, we kunnen er in de praktijk onmogelijk aan voorbijzien. Het hoeft in ethisch opzicht ook geen probleem te zijn: partijdigheid is niet per se onethisch. Net zo min als solidariteit met een bepaalde groep niet noodzakelijkerwijs immoreel is. Er is veeleer reden om deze waarden te koesteren dan om ze terzijde te schuiven.
Deze observatie is ook bij postmortale donatie van belang. Met enige regelmaat komt het voor dat mensen vlak voor hun overlijden te kennen geven dat zij na hun overlijden een orgaan willen schenken aan een ziek persoon in hun kennissenkring. Juridisch staat hierop een verbod: postmortale donaties behoren anoniem, ongericht en onconditioneel te zijn. Strikte onpartijdigheid is de gangbare norm, partijdigheid is niet geaccepteerd. Voor artsen is het niet eenvoudig uit te leggen dat ethisch hoogstaande waarden als loyaliteit en solidariteit hier bij wet zijn verworpen. Donoren kunnen slechts uit boosheid of verdriet daarover hun donatie intrekken. De wet toont zich er (kennelijk) moreel blind voor. Artsen die er (soms) de hand mee lichten, hebben in moreel opzicht betere intuïties. Zij begrijpen dat er ethisch gesproken iets aan de hand is dat men niet zomaar kan afdoen. In beleid gaat het om een lastige afweging van principes. Enerzijds onpartijdig verdelen naar objectieve behoefte, zoals Buijsen bepleit, anderzijds partijdig verdelen op een wijze die recht doet aan principes die voortvloeien uit loyaliteit en solidariteit.

3. Wederkerigheid
De regel ‘rechtvaardig verdelen naar behoefte’ bestaat niet in het luchtledige, maar veronderstelt net als het begrip solidariteit een welomschreven groep. De regel heeft erbinnen betekenis en geldigheid, erbuiten niet. Zo handelt iedere overheid met het oog op het beste belang van haar eigen burgers. Eurotransplant beperkt zich tot de ingezetenen van een betrekkelijk willekeurige groep van zes aangesloten landen. Binnen zo’n omschreven groep mag een zekere wederkerigheid worden verwacht. Nederland geeft organen weg aan de andere vijf landen, maar wil er wel
ongeveer evenveel voor terugzien. Dat wordt als niet meer dan fair gezien. Samenwerking kan alleen bestaan als er voldoende draagvlak bestaat. Een bepaalde mate van wederkerigheid en wederzijds vertrouwen is daarvoor essentieel.
Dat geldt ook voor de verhouding tussen burgers onderling. We strijken inderdaad over ons hart als een onverzekerd persoon hulp nodig heeft, zoals Buijsen aangeeft, maar dit kan geen regel zijn. Door er een regel van te maken, slaat hij de plank mis. De regel is: als we ons verzekeren, zijn we verzekerd van wederzijdse hulp. Verzekering is een verplichting, het kan geen vrijblijvende keuze zijn. We verzekeren ons naar vermogen en betalen mee - dat is fair - naar draagkracht. We mogen verwachten dat iedereen z’n steentje bijdraagt en wie niet meedoet ondergraaft het systeem. Het is onrechtvaardig en niet te verdedigen dat iemand wel wil profiteren maar niet wil bijdragen. Van dit elementaire morele besef is iedereen doordrongen.
Het gekke is nu dat deze onrechtvaardige situatie zich voordoet bij postmortale orgaandonatie. Profijt en bijdrage zijn van elkaar losgekoppeld. Veel mensen zijn niet geregistreerd als donor, maar willen eventueel wel profiteren van het systeem als zij zelf een orgaan nodig hebben. Net als bij de ziektekostenverzekering wordt het altruïsme van de anderen daardoor op de proef gesteld. Hoe lang zullen zij bereid zijn om solidair te zijn met degenen die niet bijdragen? Tegen deze achtergrond is er veel voor te zeggen bij donorregistratie meer ruimte te geven aan het principe van wederkerigheid, zoals Den Hartogh bepleit. Wederkerigheid is uiteraard geen uitvinding van hem, maar vormt een bouwsteen van elke samenleving. Ook in dit opzicht is het begrip wederkerigheid (opnieuw) fundamenteler dan de idee van (onpartijdige) rechtvaardigheid. Zonder een zekere mate van wederkerigheid heeft het beroep op rechtvaardigheid nauwelijks een been om op te staan: waarom zou men met zijn organen willen instaan voor anderen, als het omgekeerde niet het geval is?

4. Vrijheid en verantwoordelijkheid
De regel ‘rechtvaardig verdelen naar behoefte’ veronderstelt niet alleen rechten maar ook plichten. Is het mogelijk om over het één te spreken en niet over het ander? De overheid biedt of beschermt rechten, zoals toegang tot zorg, maar daar staan plichten van de burger tegenover. Wij noemden reeds de bijdrage voor een passende verzekering. Het is merkwaardig dat de overheid met betrekking tot orgaandonatie niets verplicht en haar beleid heeft gebouwd op altruïsme. Het staat een ieder vrij om mee te doen of niet (geen plicht), maar men mag wel rekenen op absolute zorg (een recht) als men orgaanbehoeftig is. Dit beleid is, zoals bekend, nu al twintig jaar geen succes gebleken.
Wanneer altruïstische motivaties toereikend zijn, zoals bij bloeddonatie, kan daarmee worden volstaan. Maar bij orgaandonatie schiet het beroep op altruïsme hopeloos te kort en is de toegankelijkheid van de zorg ernstig in gevaar. Daarom is het vreemd dat men het daarbij laat. Voor succes is immers de actieve medewerking van alle burgers nodig. In dit opzicht is de parallel met de ziekteverzekering terecht. Beleidsmakers staat ons inziens maar één mogelijkheid open: het beroep op donatie minder vrijblijvend maken.
In het denken over publiek beleid is de laatste jaren veel veranderd. Burgers worden als ‘morele subjecten’ serieuzer genomen. Vroeger liet men zich met name in de zorg - maar daar niet alleen - leiden door het beeld van de actief
zorgende staat en de passief ontvangende burger. Tegenwoordig is het inzicht doorgedrongen dat burgers (patiënten) zelf een actieve rol kunnen spelen en een eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen. Men ziet de klant meer als koning en dus ook minder als een willoos object van zorg.
Het tweede inzicht dat is gegroeid, is dat mensen geen edelen zijn, die louter en vanzelf altruïstisch handelen, maar evenmin schurken die alleen op hun eigenbelang uit zijn. Met de nodige aansporing is het mogelijk zich in beleid van de medewerking van burgers te verzekeren. Rechten en plichten zijn geen vijanden van elkaar, maar natuurlijke bondgenoten.
Wat betekent dit voor orgaandonatie? Wie verwacht dat minder vrijblijvendheid meer dwang en minder vrijheid oplevert, heeft het mis. Den Hartoghs voorstel biedt mensen een extra vrijheidsgraad. Men kan bij registratie óf onvoorwaardelijk doneren, zoals nu verplicht is wanneer men doneert, óf kiezen voor een meer gerichte donatie, waarin men solidariteit betuigt met alle andere mensen die zich als donor laten registeren. Dit is geen intellectuele exercitie. Het voorstel getuigt van werkelijkheidszin. Bovenal doet het recht aan fundamentele ethische noties die aan elk samenleven ten grondslag liggen. De loutere verwijzing naar het begrip rechtvaardigheid schiet tekort.

Complex

We hebben laten zien dat naast en achter het begrip rechtvaardigheid andere ethische principes in de zorg werkzaam zijn, met een even fundamenteel of fundamenteler karakter, zoals met name loyaliteit, solidariteit, wederkerigheid, vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Het beroep op het begrip rechtvaardigheid, opgevat als verdeling naar behoefte volgens medische criteria, volstaat niet om de complexe werkelijkheid van de zorg te beschrijven.
Welke praktische consequenties we hieraan in beleid (moeten) verbinden is een volgende vraag. Die vraag hebben we hier niet besproken.

Bron: Medisch Contact, juli 2004

 

 

click 'n go

 
HOME

 H O M E

Zoeken  zoeken
Inhoudsopgave met tekstlinks

 inhoudsopgave

Fotoalbum  fotoalbum
Print deze pagina  print deze pagina
Contact  contact
Disclaimer

 disclaimer

 
 

nieuwe longen

 

 

 

say goodbye

Mijn oude CF-longen

 

welcome

 

Mijn nieuwe longen

 

 

 

 

bekijk ook

 

longtransplantatie.nl

arianvisser.nl

 

 

 

 

paginawillekeur

 

Doe een gok

 

 

 

 

credits

 

Kaatje

P-logic

Jannes
 

 

 

 

uw secretaris

 

arian
@
longtransplantatie
.
nl

 

 

Deze pagina werd voor het laatst bijgewerkt op 02 februari 2008 om 13:42 uur
arian@longtransplantatie.nl