Vanaf dat
moment was de vrachtwagenchauffeur een wrak. Hij zat daar maar te zitten
voor het raam, kreeg steeds minder lucht en het ging almaar verder bergaf
met hem. Alleen een longtransplantatie kon zijn leven redden. Wie zou het
eerst zijn pad kruisen in de wedloop tegen de tijd, de donor of de dood?
Van zijn
hobby had-ie zijn werk gemaakt. Of was het andersom, van zijn werk zijn
hobby?
Ach, het is
maar hoe je het bekijkt. Hans van de Vooren genoot van het landschap, van de
trilling in zijn lichaam als de zware oplegger optrok, van het contact met
collega ‘s, van het samenvallen van rust en spanning als hij ’s nachts over
de lange Duitse snelweg reed. Hij was getrouwd, had drie fijne zonen en
plezier in zijn werk. Maar was geboren met een vrij onbekende ziekte, een
A-Gammaglobulinemie, waardoor zijn bloed geen afweerstoffen maakte
tegen infecties. Als kind werd hij vaak getroffen door infecties in keel,
neus en oren. Op z’n elfde sloeg dat op zijn luchtwegen. Hij kreeg de ene
longontsteking na de andere en daardoor ontwikkelde zich een sluipend
voortschrijdende chronische bronchites. In 1997 was hij zo ver afgetakeld
dat hij permanent aan de zuurstof moest. Hij moest zijn tranen bedwingen
toen hij de sleutels van zijn vrachtwagen inleverde. Hans kwam in de WAO
terecht en er was steeds meer zuurstof nodig om hem in leven te houden. Op
het laatst 3 liter per minuut. Hij zat daar nog maar te zitten in zijn
woonkamer in Zetten, terwijl de zuurstoffles onophoudelijk fluisterde dat
zijn dagen geteld waren. De specialisten maakten hem duidelijk dat elke
volgende infectie hem verder zou slopen. Het einde zou binnen twee jaar in
zicht zijn.
Op 27
oktober 1999 kwam hij op de wachtlijst te staan voor een dubbel-zijdige
longtransplantatie. Die datum staat in zijn geheugen gegrift. Hij kan zich
de sessie met zijn vrouw en kinderen nog heel goed herinneren. Nooit eerder
was iemand met zijn aandoening zo geopereerd. Was er een andere keuze? Nee
toch? Er stonden heel veel namen vóór hem op de wachtlijst, terwijl
luchtwegdonoren moeilijk te vinden zijn.
Orgaandonoren zijn doorgaans mensen die hersendood zijn na een
verkeersongeval. Door de klap zijn de longen echter vaak beschadigd en
daardoor onbruikbaar. Hoe hard het ook klinkt, mensen die wachten op nieuwe
longen zijn vaak aangewezen op mensen die getroffen zijn door een dodelijk
hart- of herseninfarct.
Viereneenhalf jaar lang werd het geduld van Hans op de proef gesteld. Al die
tijd moest hij 24 uur per dag in gereedheid zijn voor spoedtransport naar
Groningen, waar de transplantatie zou plaatsvinden. Een jaar geleden, in de
laatste week van oktober 2003, kreeg hij in de namiddag telefoon; er waren
donorlongen! Hij lag al bijna op de operatietafel, toen de chirurg bij hem
kwam: “sorry, maar deze donorlongen zijn toch niet geschikt”. Dat risico zat
erin, wist Hans. Want ook al gaat de chirurg de donorlongen zelf ophalen,
desnoods per vliegtuig, altijd loop je kans dat er in die precaire uren
tussen overlijden en transplanteren iets mis gaat. Al hadden ze dat hem van
te voren nog zo duidelijk uitgelegd, het kwam hard aan. Precies een week
later gebeurde hetzelfde. Weer met de ambulance naar Groningen. Weer die
domper. Een patiënt twee keer binnen in één week afwijzen, dat was ook de
longchirurgen in Groningen nog nooit overkomen.
In maart
van dit jaar kwam er om half zeven s’ ochtends voor de derde keer een
telefoontje. Het was kwart over één in de middag toen hij te horen kreeg dat
de ingreep doorging en onder narcose kwam. Het eerste wat hem opviel toen
hij bijkwam was …… lucht!! Een zee van lucht die hij diep in zijn lichaam
kon zuigen. Dat gevoel was zo heerlijk dat hij de pijn van de operatie niet
voelde. En Hans kon zijn ogen maar niet afhouden van zijn handen en nagels.
Die waren al jaren blauw van het zuurstofgebrek. Nu waren ze weer
vleeskleurig.
Een week
later kon hij alweer een trap oplopen – een inspanning die hij
god-mag-weten-hoe-lang niet meer had verricht. Zoveel energie bruiste er
opeens weer door zijn lichaam, dat hij wel actief moest zijn.
Wandelen, fietsen, alle dingen doen die hij al jaren niet meer kon. In de
eerste maanden na de operatie had hij daardoor vaker spier- dan
operatiepijn. Zijn spieren konden de sprong voorwaarts in conditie gewoon
niet bijhouden.
Afstotingsverschijnselen – een groot risico bij transplantatie – bleven hem
bespaard. Al moest hij in september wel een weekje naar Groningen omdat er
toch even een complicatie dreigde. Maar dat is met medicijnen keurig onder
controle gebracht.
Hij is
zover hersteld, dat de nieuwe longen aanvoelen als “zijn” longen. Toch gaat
er geen dag voorbij, of hij denkt aan zijn anonieme donor. Hij weet niet of
het een man of een vrouw was, of het een ouder of een jonger iemand was, en
in welk land de donor woonde. Hij mag het niet weten en hij wil
het niet weten ook. Fietst-ie door het dorp met een herfstzonnetje in zijn
gezicht, realiseert hij zich dat iemand voor hem gestorven is! Dat zijn
eigen gezin onbeschrijfelijk gelukkig is met die nieuwe longen, maar dat
ergens anders een gezin in diepe rouw verkeerd. Dat ontroert hem, zoals de
laatste daad van naastenliefde van de donor hem vervuld met gevoelens van
dankbaarheid. Alleen door zijn verhaal te vertellen, kan hij laten weten dat
sterven niet alleen verdriet, maar ergens anders toch ook weer geluk brengt.
Misschien dat dit voor de achterblijvers van orgaandonoren een troostrijke
gedachten mag zijn?
Eén droom
heeft Hans nu nog: hij wil terug in de cabine. Een oplegger voor
internationale ritten zal het niet meer worden. Maar als chauffeur op
binnenlandse ritten voor een paar dagen per week, of als koerier op een
bestelbusje, dat moet toch lukken?