Martijn Tunnissen is helaas op dinsdag 2 november 2004 overleden. Hij stond 123 dagen op de wachtlijst voor longtransplantatie.
Welkom
op de site longtransplantatie
van Martijn Tunnissen
Vraag & Antwoord.
Algemeen.
1.Wat is
orgaantransplantatie?
Orgaantransplantatie is het vervangen ven het zieke orgaan door een
gezond orgaan van een donor. Bij deze medische handeling wordt het
gezonde orgaan van een donor overgeplaatst in het lichaam van de
ontvanger.
2.Welke
patiënten komen voor transplantatie in aanmerking?
Het
menselijke lichaam kan niet zonder zuurstof functioneren. De longen
zorgen ervoor dat zuurstof uit de buitenlucht in het bloed wordt
opgenomen. Dit zuurstofrijke bloed wordt door het hart het lichaam
ingepompt. Daarnaast zorgen de longen ervoor dat kooldioxide, een
afvalstof uit het lichaam, aan de buitenlucht wordt afgegeven. Bij een
aantal ernstige longziekten dreigt verstikking, doordat onvoldoende
zuurstof in het lichaam komt en kooldioxide zich ophoopt. Als de
problemen niet met medicijnen of een operatie zijn op te lossen, is
transplantatie van één of beide longen de enige oplossing.
3.Wanneer
en door wie zijn de experimentele transplantaties uitgevoerd?
Al
duizenden jaren proberen wetenschappers de geheimen van transplantatie
te achterhalen. De eerste verhalen zijn te vinden in Chinese
geschriften uit de derde eeuw voor Christus. De chirurg Pien Chiao zou
een maag-/harttransplantatie hebben uitgevoerd. Vele experimenten
zouden nog volgen. Een bekend verhaal is dat van de koster van de kerk
waar Cosmas en Damianus preekten in de derde eeuw na Christus. Deze
Romeinse koster leed aan ‘koudvuur’ aan een van zijn benen. Het been
van een Moorse slaaf, al dood en begraven, bood de uitkomst. De koster
werd beroemd met een zwart en een blank been.
In India hebben Hindoe-chirurgen in de zevende eeuw na Christus met
succes een neustransplantaties verricht. Soms werd daarbij gebruik
gemaakt van lappen huid uit het voorhoofd, de wang of de hals. Deze
autotransplantaties, waarbij men gebruik maakt van het eigen weefsel
van patiënt, waren redelijk succesvol. De chirurg Charles Guthrie
plantte in 1908 de kop van de ene hond op het lichaam van een andere.
In de jaren vijftig introduceerde Metras in de VS een verbeterde
methode om longtransplantaties bij honden succesvol te laten verlopen.
De belangstelling voor longtransplantaties werd hierdoor verhoogd,
zodat snel meer experimenten werden uitgevoerd.
4.Wanneer en door
wie zijn de eerste transplantaties bij de mens uitgevoerd?
De
eerste longtransplantatie werd in 1963 uitgevoerd door Hardy en zijn
team aan de Mississippi University in de VS. Al vrij snel stopte men
het programma wegens de tegenvallende resultaten. Met een vernieuwde
techniek startte een team in Canada eind jaren tachtig opnieuw een
longtransplantatieprogramma op, nu met duidelijk betere resultaten. In
1989 werd in Nederland de eerste longtransplantatie uitgevoerd in het
Antonius Ziekenhuis in Nieuwengein.Tegenwoordig worden wereldwijd
jaarlijks ruim 1200 longtransplantaties uitgevoerd.
5.Zijn er
alternatieven voor transplantatie?
Alternatieven voor longtransplantatie zijn er weinig. Wel wordt er
gewerkt aan het verder verbeteren van de medicijntherapie, onder
andere door continue toediening, intraveneus (met een katheter) of via
inhalatie (puffjes), van prostacyclines aan patiënten met een
verhoogde druk in de bloedvaten van de longen (pulmonale hypertensie).
Prostacyclines verwijderen de bloedvaten.Indien de pulmonale
hypertensie wordt veroorzaakt door bloedstolsels in(longembolieën),
kan als alternatief door middel van een chirurgische ingreep via de
longslagader getracht worden zo veel mogelijk embolieën tot diep in
het gebied van de longen weg te halen (trombo-en-darteriëctomie). Een
belangrijk alternatief voor sommige patiënten met een longemfyseem is
een longvolumereductieoperatie. Hierbij worden de ziekste
longgedeelten chirurgisch verwijderd, waardoor de stand van het
middenrif gunstiger wordt voor de ademhaling en de minder zieke
gedeelten beter kunnen functioneren. De patiënt wordt daardoor minder
kortademig en kan soms zonder extra zuurstof een groter
inspanningsvermogen bereiken. Deze behandeling is slechts voor een
geselecteerde groep patiënten bruikbaar, omdat niet bij iedereen
hetzelfde positieve resultaat kan worden behaald.
6.Wanneer krijgt
een patiënt een oproep voor de transplantatie?
De patiënt krijgt pas een oproep
voor transplantatie als hij op de wachtlijst staat en als het meest
geschikte orgaan bij de uitwisselingsorganisatie (zoals NTS/Eurotransplant)
is aangemeld. De meest geschikte ontvanger wordt door de computer
aangewezen, op basis van overeenkomsten op het gebied van
weefseltypering. Daarnaast bepalen ook andere criteria of het orgaan
aan een patiënt wordt toegewezen, zoals de conditie van de patiënt,
de plaats op de wachtlijst, de duur van de wachttijd, de bloedgroep
en de lichaamgrootte.
Bij longtransplantaties krijgt de patiënt een oproep voor
longtransplantatie als een donor beschikbaar is met een zo identiek
mogelijke bloedgroep en de juiste grootte. Omdat donorlongen buiten
het lichaam niet langer dan zes tot acht uur houdbaar zijn,
ontbreekt momenteel nog de tijd om vóór transplantatie matching
van weefseltyperingte doen. Matching is het zoeken naar
zoveel mogelijk overeenkomsten tussen de cel- en weefseltypering van
de donor en die van de ontvanger. Uiteraard zijn factoren als
wachttijd en urgentie ook van belang.
7.Betekent een
oproep voor een transplantatie altijd dat deze ook daadwerkelijk
doorgaat?
Het kan voorkomen dat na de
oproep, en soms tijdens de voorbereidingen of tijdens de operatie
zelf, blijkt dat het orgaan toch niet geschikt is voor de ontvanger.
Dit kan afhankelijk zijn van de kwaliteit het donororgaan, maar het
is ook denkbaar dat het orgaan toch niet past qua afmetingen. Een
groot of te klein orgaan zal op den duur problemen opleveren, dus
kan soms beter gewacht worden op de volgende gelegenheid. De
kwaliteit van een aangeboden orgaan kan soms pas echt beoordeeld
worden na uitname in het donorziekenhuis. Bij schade kan men
besluiten de transplantatie af te zeggen.
Omdat overeenkomst van weefseltypering tussen ontvanger en donor het
belangrijkste is voor het slagen van een transplantatie, kan het
voorkomen dat meerdere patiënten een oproep krijgen voor
transplantatie. Worden twee patiënten opgeroepen, dan moet tijdens
de operatie de keus worden gemaakt wie het orgaan ontvangt. Meestal
krijgt degene die het orgaan niet ontvangt de volgende keer
voorrang. Dit gebeurt echter alleen dán, wanneer de match of de
andere criteria gelijk zijn.
Een ander belangrijke reden waarom de transplantatie soms niet
doorgaat, is een positieve kruisproef. Van een positieve kruisproef
is sprake, als is aangetoond dat de ontvanger antistoffen in zijn
bloed heeft die witte bloedcellen van de ontvanger kapot maken. Dit
betekent dat het donororgaan na de transplantatie op korte termijn
zal worden afgestoten.
8.Wat is
afstoting?
Elk menselijk lichaam heeft een
natuurlijk mechanisme (het afweersysteem), dat in staat is om
vreemde lichaamcellen van eigen lichaamscellen te onderscheiden.
Indien vreemde lichaamcellen worden opgemerkt, wordt het
afweersysteem geactiveerd. Het afweermechanisme beschermt het
lichaam als het ware tegen vreemde indringers als bacteriën,
virussen en schimmels, maar ook tegen lichaamsvreemde weefsel.
Getransplanteerde organen worden door dit systeem als vreemd
beschouwd, dus treedt het mechanisme in werking en worden ze
afgestoten.
Bij afstoting spelen voornamelijk de gespecialiseerde leukocyten
(T-lymfocyten) een belangrijke rol. Een toename van het aantal
T-lymfocyten in het lichaam hoeft dus niet te betekenen dat er
afstoting plaatsvindt. Het kan ook een afweerreactie zijn tegen
virussen, bacteriën en schimmels. Afstoting kent twee varianten:
acuut (snel en krachtig) en chronisch (langzaam en sluipend).
Afstoting is dus een zeer complex geheel. Langzaam maar zeker komen
de specialisten er achter hoe afstoting precies werkt. Hierdoor kan
men afstoting eerder vaststellen, een betere behandeling instellen
en de prognose verbeteren.
9.Wat merkt een
getransplanteerde van afstoting?
Een getransplanteerde hoeft niet
direct te merken dat afstoting plaats vindt. In vrijwel alle
gevallen zal de patiënt zich na verloop van tijd zwakker en slapper
voelen. Dit komt omdat het orgaan door afstoting wordt aangetast en
daardoor minder goed gaat functioneren. De gevolgen hiervan zijn op
den duur goed voelbaar.
Afstoting is in feite een ontstekingsreactie, met alle bekende
kenmerken.
Voorbeelden van signalen zijn:
Een verhoging van de
lichaamstemperatuur (grieperig gevoel, koorts);
Een snelle toename van het
lichaamsgewicht, vochtophopingen (dikke enkels);
Vergeling van de gelaatshuid
en ogen;
Fellere en agressieve reacties
dan men gewend is;
Sneller optredende
vermoeidheid en een lamlendig gevoel.
Na een transplantatie zal de
getransplanteerde eerder moe en kortademig worden en heeft hij last
van veelvuldig hoesten. Soms voelt men ook pijn in het
littekengebied.
10.Hoe wordt
afstoting opgespoord?
Er is maar één manier om
afstoting met zekerheid vast te stellen: een weefselbiopsie
uitvoeren. Met een biop-tang wordt door middel van een katheter via
de longpijp een stukje weefsel uit het donororgaan gehaald. Dit
wordt onderzocht door een patholoog op afstotingscellen. Door het
stukje weefsel vooraf te kleuren maakt men een microscoop
weefselverandering zichtbaar die op afstoting kunnen duiden. Het
nemen van biopt is voor de patiënt niet prettig. Daarom worden
momenteel patiëntvriendelijker methoden toegepast om afstoting op te
sporen. Die methoden zijn weliswaar niet honderd procent
betrouwbaar, maar geven vaak wel een goede indicatie. Deze methoden
zijn onder andere:
Een bloedonderzoek: het tellen
van de T-lymfocyten;
Een echografie: het zien van
veranderingen van de functie van het orgaan;
In het algemeen wordt ook de
temperatuur onderzocht (ontstekingsreacties geven
temperatuurverhoging) en wordt de patiënt ondervraagd (kan hij de
afstoting voelen,
dan wel de gevolgen ervan).
Enkele aanvullende onderzoeken
zijn:
Een röntgenfoto;
Bronchoscopie (onderzoek van
de binnenkant van de luchtpijp en longen);
Het beluisteren van de longen;
Het meten van de verhouding
perfusie/ventilatie;
Een longfunctiemeting.
11.Welke gevaren
zijn er bij infecties?
Allereerst is het belangrijk om
te weten of de weten of de ontstekingsreactie misschien wordt
veroorzaakt door een infectie met een bacterie, een virus of een
schimmel. Afstoting is een ontstekingsreactie, dus het is van
levensbelang zeer snel te weten of de ontstekingsreactie door
afstoting is ontstaan of door een infectie. Pas dan kan worden
behandeld.
Vlak na transplantatie komen vooral wondinfecties (bacteriën) voor.
Daarna in de eerste maanden, komen vooral herpesinfectie voor (het
CMV-cytomegalovirus, het herpes simplex virus en het herpes zoster
virus ofwel gordelroos). Later komen alle ‘gewone’ infecties van
luchtwegen, urinewegen en de huid voor. Andere verwekkers van virale
of bacteriële infecties na transplantatie zijn het Epstein-Barr
virus (ziekte van Pfeiffer), pneumocystis carinii en candida
albicans.
Het grootste gevaar is het te laat ontdekken van de infectie: door
het onderdrukken van het afweersysteem (immuunsysteem) met
anti-afstotingsmiddelen kunnen infecties ontstaan die niet worden
opgemerkt. Het te laat ontdekken van zo’n infectie kan vérstrekkende
gevolgen hebben. Soms is de ontsteking al zover gevorderd, dat
behandeling niet meer mogelijk is.
Daarnaast kunnen infecties het lichaam totaal uitputten. Vooral
lange tijd na de transplantatie en als de getransplanteerde wat
onachtzamer wordt, kunnen ontstekingen flinke problemen geven.
Infecties behoren tot de meest voorkomende doodsoorzaken na
transplantatie.
Na een longtransplantatie is er een grotere kans op longontstekingen
en op een Epstein-Barr virusinfectie gerelateerd aan een
post-transplantatielymfoom (tumor). Ook komen schimmelinfecties
(zoals aspergillus) bij longtransplantatiepatiënten vaker voor.
Indien er chronische afstoting ontstaat, worden de luchtwegen
kwetsbaar en kunnen makkelijker bacteriële infecties zoals
pseudomonas ontstaan.
12.Wat zijn de
risico’s na transplantatie?
Niet alleen afstoting is een
risico na transplantatie. Ook infecties door virussen en bacteriën,
evenals infecties door schimmels en parasieten zijn risico’s waarmee
de getransplanteerde rekening moeten houden. Door het gebruik van
middelen tegen afstoting wordt de natuurlijke tegen dit soort
ontstekingsreacties verlaagd, vooral in de eerste maanden na
transplantatie, als de dosering het hoogst is. Er is dus een grotere
kans op infecties. In het geval van een ontstekingsreactie bestaat
er een verhoogde kans op afstoting. Ook is door het verlaagde
afweersysteem de kans op het ontstaan van kwaadaardige ziekten
(diversen vormen van kanker) groter dan bij patiënten die geen
immunosuppressieve middelen (middelen tegen afstoten) gebruiken.
Vandaar dat de controles na transplantatie zo belangrijk zijn.
Een ander risico wordt gevormd door de bijwerkingen van de
medicijnen. Elk medicijn heeft goede en minder goede effecten.
Vooral middelen tegen afstoting hebben hun specifieke bijwerkingen.
Ook kunnen medicijnen elkaar versterken of verzwakken. Het is daarom
van belang het medicijngebruik goed te laten afstemmen door
deskundigen.
Tot slot is een risico na transplantatie dat het orgaan niet
functioneert. Een retransplantatie is dan een overweging.
13.Hoelang moet
een getransplanteerde na transplantatie op de intensive- care
verblijven?
Het verblijf op de intensive care
na transplantatie wordt in principe zo kort mogelijk gehouden.
Alleen de eerste opvang vindt daar plaats. Vanwege het
infectiegevaar vlak na transplantatie zal dit verblijf geïsoleerd
zijn. Dit betekent dat er alleen artsen en bezoekers mogen komen die
bescherming dragen tegen het doorgeven van bacteriën. Die
bescherming bestaat uit speciale kleren, handschoenen en soms een
mondkapje, afhankelijk van het transplantatiecentrum.
Het verblijf in die isolatie-intensive care kan van een paar dagen
tot enkele weken duren, afhankelijk van het herstel van de
getransplanteerde.
14.Hoelang moet
een getransplanteerde dan nog in het ziekenhuis blijven?
Van de intensive care gaat de
getransplanteerde of naar de medium care (soms ook
isolatieverpleging) of naar een gewone kamer, afhankelijk van de
situatie. De isolatieverpleging van een patiënt na transplantatie
wordt zoveel mogelijk beperkt, omdat gebleken is dat het met de
infecties wel meevalt en isolatie dus niet nodig is.
In de meeste transplantatiecentra is het de gewoonte om de
getransplanteerde zo snel mogelijk buiten het ziekenhuis te krijgen.
Zo mogelijk wordt hiervoor een apart opvanghuis beschikbaar gesteld.
In deze niet-ziekenhuisomgeving of gewoon thuis zal het
herstellingsproces sneller verlopen en is de kans op het krijgen van
infecties veel kleiner dan in het ziekenhuis. Over het algemeen
duurt een ziekenhuisverblijf minimaal tien dagen tot enkele weken en
in een ongelukkige situatie enkele maanden.
15.Is een
transplantatie wel de moeite waard?
Uit de medische literatuur en uit
de praktijk blijkt dat er consequenties zitten aan een
transplantatie. Ook de antwoorden op de in dit document gestelde
vragen geven aan, dat een getransplanteerde zich moet houden aan de
leefregels, het innemen van medicijnen en frequent ziekenhuisbezoek.
Daarnaast zijn er risico’s in de vorm van bijwerkingen van
medicijnen en het soms niet geheel herstellen na de transplantatie,
of het ervaren van een beperkte kwaliteit van leven. Voor velen is
dit alles een somber vooruitzicht. Maar voor een patiënt in een
uitzichtloze situatie is de keuze voor een transplantatie niet
moeilijk, ondanks alle bijkomende risico’s en de tijdelijkheid van
de oplossing.
De waarheid gebiedt om eerlijk te zijn over de mogelijke gevolgen
van een transplantatie. De nadruk ligt hierbij op mogelijke. Slechts
een beperkt aantal getransplanteerden ondervindt hinder na
transplantatie, zoals bijwerkingen van medicijnen of algemene
beperkingen in het leven.
De allergrootste groep getransplanteerde kan na transplanteerde weer
vrijwel volledig functioneren, werken, hobby’s uitoefenen en plezier
in het leven hebben.
Er zijn diverse soorten controles
na transplantatie noodzakelijk:
Controle op de conditie van
het getransplanteerde orgaan;
Controle op afstoting;
Controle op de gevolgen van de
anti-afstotingsmiddelen op het lichaam.
17.Waar en door
wie worden de controles na transplantatie uitgevoerd?
In de periode vlak na
transplantatie, bij verblijf in het transplantatiecentrum, worden de
controles voornamelijk door de artsen van het transplantatieteam
uitgevoerd. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan de controle op
de werking van het orgaan, evenals op de bloeddruk, de afstoting en
de conditie. Omdat het lichaam moet herstellen van de operatie en
moet wennen aan het nieuwe orgaan, worden deze controles veelvuldig
uitgevoerd. Men wil weten hoe het lichaam reageert op het nieuwe
orgaan om meteen te kunnen ingrijpen als het onverhoopt misgaat.
Na het verlaten van het ziekenhuis,
als de situatie stabiel is, verminderen de controles en worden ze
slechts periodiek in het ziekenhuis uitgevoerd. In de tussentijd
moet de getransplanteerde leren luisteren naar zijn eigen lichaam,
naar de signalen die het lichaam uitzendt bij onraad (bij infectie,
afstoting of andere ziekten). Het is de taak van de
getransplanteerde om bij deze signalen te beslissen of deskundige
hulp nodig is. Het negeren van de signalen zal een negatieve effect
hebben op het lichaam en brengt dus groot risico met zich mee.
18.Waarom mag een
getransplanteerde na transplantatie geen contact hebben met mensen met
infecties?
Als de patiënt een transplantatie
heeft ondergaan,is het lichaam vlak daarna over het algemeen zo zwak
(meestal door uitputting ten gevolge van een lange wachtperiode voor
transplantatie), dat het zeer gevoelig is voor bacteriën en andere
ziektekiemen van buitenaf.
Ook zal een patiënt vlak na transplantatie veel medicijnen krijgen
tegen afstoting, vooral omdat de lichaamreactie op de aanwezigheid
van een vreemd orgaan in het begin het heftigst zal zijn. Medicijnen
tegen afstoting beïnvloeden het afweermechanisme negatief. Hierdoor
wordt het lichaam dus gevoeliger voor infecties.
Om deze reden zal een
getransplanteerde na transplantatie voorzichtig moeten zijn in zijn
contacten met andere mensen, vooral wanneer deze ziek zijn. Het is
verstandig om de omgeving van de getransplanteerde te wijzen op de
risico’s van het overdragen van eventuele ziekten. Daarbij heeft de
getransplanteerde ook zelf de verantwoording om, vooral vlak na
transplantatie, te checken of zijn bezoekers niet ziek zijn. Contact
dient dan te worden vermeden. In het ziekenhuis wordt dit meestal
opgelost door de getransplanteerde in een isolatiekamer te
verplegen. Verplegend personeel en bezoekers dragen meestal
mondkapjes. De verpleging op
de isolatiekamer in het ziekenhuis wordt tegenwoordig zoveel
mogelijk beperkt. Het is gezien de huidige kennis niet meer nodig
omdat infecties kunnen worden voorkomen door het handhaven van de
‘gewone’ maatregelen bij wondverzorging. Daarnaast blijkt dat
infecties vaak hun oorsprong vinden in sluimerende ziektekiemen in
het lichaam van de patiënt zelf. Bij longtransplantatie worden extra
voorzorgen genomen, omdat de longen als enig orgaan direct contact
staat met de buitenwereld. Dit maakt het orgaan kwetsbaar voor
infecties. Blijkt (uit bloedonderzoek) dat het lichaam aansterkt en
de weerstand tegen infecties toeneemt, dan kan de getransplanteerde
langzaam wennen aan bacteriën van buitenaf.
Daarbij ontwikkelt de patiënt na
transplantatie vaak een ingebouwde veiligheidsmechanisme of een twee
natuur om infectiegevaar uit de omgeving te vermijden.
19.Hoe kan
afstoting worden behandeld?
Als de afstoting optreedt wanneer
de patiënt thuis is, is hernieuwde opname in het ziekenhuis soms
noodzakelijk. Veel afstotingsbehandelingen worden poliklinisch
gedaan, afhankelijk van de gekozen therapie of de bij de patiënt te
verwachten problemen. Vanwege de wat hogere infectierisico’s worden
longgetransplanteerden met afstoting in het begin vaak opgenomen in
het ziekenhuis.
In het beginsel is er maar één mogelijkheid om afstoting te
behandelen, namelijk met medicijnen. Behandeling vindt plaats
wanneer afstoting optreedt maar kan ook preventief (ter voorkoming
van afstoting) plaatsvinden met een onderhoudsdosis medicijnen.
Afhankelijk van de ernst en de voortgang van de afstoting kan het
transplantatieteam kiezen uit verschillende soorten medicijnen.
Meestal zal gekozen worden voor de therapie die het minste risico
oplevert, met lage dosering. Werkt deze niet, dan kunnen de
doseringen worden verhoogd of zal een keuze moeten worden gemaakt
uit andere medicijnen, of combinaties daarvan. Kan de afstoting niet
met medicijnen worden behandeld, dan kan een tweede transplantatie
uitkomst bieden. De afstoting is immers pas geheel afgewend wanneer
in geen van de organen nog afstotingscellen zitten.
20.Op welke wijze
komt een getransplanteerde weer in conditie?
Na transplantatie wordt door het
transplantatiecentrum een programma gestart om de conditie van de
getransplanteerde weer snel op peil te krijgen. Dit begint met het
schommelen met de benen buiten het bed, gevolgd door knieoefeningen
en fietsen op een hometrainer. Dit alles gebeurd onder toezicht van
een fysiotherapeut. Zodra de getransplanteerde daartoe in staat is,
moet hij proberen trappen te lopen. Langzaam maar zeker komt de
conditie terug. Tot slot kan in het ziekenhuis groepsgewijs aan de
conditie worden gewerkt.
Bij ontslag uit het ziekenhuis krijgt de patiënt van de
fysiotherapeut een oefenschema mee. Hiermee kan hij thuis trainen,
of tijdens de regelmatig terugkerende bezoeken aan het ziekenhuis.
De getransplanteerde merkt zelf hoever hij kan gaan. Meestal gaat
het opbouwen van de conditie met vallen en opstaan. Soms wordt het
lichaam overbelast, zodat rust moet worden genomen. Vooral in het
begin lijkt dit angstig. Het is echter en normale gang van zaken en
een goede manier om de conditie op te bouwen. Het gaat dus
trapsgewijs: steeds harder trainen en grenzen verleggen, dan weer
rust nemen om het lichaam te laten herstellen. Dit proces gaat door
totdat de maximale capaciteit worden bereikt. Die is voor ieder
persoon anders. Gemiddeld kan een getransplanteerde terugkomen tot
maximaal 70 tot 80 procent van de conditie die hij voor de
transplantatie in gezonde toestand had. Dit omdat de donorlongen
zich minder kunnen ontvouwen dan gewone longen. De luchtcapaciteit
en dus de lichaamscapaciteit is daardoor beperkt.
21.Moet een
getransplanteerde levenslang worden gecontroleerd?
Ja, want het lichaam blijft
strijd leveren tegen het getransplanteerde vreemd orgaan. Verder is
het nodig dat regelmatig gecontroleerd wordt of de balans tussen de
medicijnen tegen afstoting en de reacties van het lichaam aan niet
verstoord raakt.Daarnaast tasten medicijnen in het algemeen het
lichaam aan. Het is ook niet aangetoond dat het lichaam de strijd
tegen het vreemde orgaan zou kunnen staken. Wel wordt die strijd
steeds zwakker, maar de reacties kunnen blijven voorkomen.
Regelmatige controle is dus zeer belangrijk.
22.Waarom moet een
getransplanteerde vlak na transplantatie veel medicijnen gebruiken?
Vlak na de transplantatie is de
transplantatie over het algemeen erg zwak. De operatie is een zeer
zware ingreep. Tegelijkertijd moet het lichaam de strijd aangaan met
het donororgaan. Omdat het afweermechanisme in het begin sterk
reageert op het geïmplanteerde orgaan, moeten veel medicijnen tegen
afstoting worden toegediend. Deze medicijnen verlagen op hun beurt
de weerstand tegen infecties, zodat ook hiertegen medicijnen gegeven
moeten worden. Tot slot moet het lichaam soms geholpen worden bij
het herstel na de transplantatie. Hiervoor worden veelal extra
vitaminen voorgeschreven die de weerstand verhogen.
Al met al krijgt de getransplanteerde erg veel medicijnen vlak na de
transplantatie. Als het lichaam is aangestrekt, wordt de hoeveelheid
toegediende medicijnen meestal sterk verminderd.
23.Hebben medicijnen
tegen afstoting bijwerkingen?
Elk medicijn heeft bijwerkingen.
Het is helaas niet mogelijk gebleken een middel te maken dat alleen
het effect heeft waarvoor het gemaakt is. Dat is ook het geval bij
medicijnen tegen afstoting. Bij elk middel zit een bijsluiter waarop
staat aangegeven welke bijwerkingen ter verwachten zijn en welke
effecten medicijnen op elkaar kunnen hebben. Zo kunnen medicijnen
elkaar in hun werking versterken, maar elkaar ook verzwakken. Artsen
houden hier zoveel mogelijk rekening mee. Mocht de patiënt meerdere
medicijnen gebruiken voor andere kwalen, dan zal in overleg met de
andere specialist worden vastgesteld welke medicijnen kunnen worden
toegediend. Alle middelen
tegen afstoting zorgen ervoor dat het afweersysteem wordt ingeperkt,
waardoor er een grotere kans is op infecties en kwaadaardige
processen.
24.Moet een
getransplanteerde levenslang medicijnen tegen afstoting gebruiken?
Tot nu toe is nog niet afdoende
aangetoond dat afstoting na verloop van tijd niet meer zal
voorkomen. Het incidenteel staken van anti-afstotingsmedicatie heeft
alleen maar geleid tot grote en vaak fatale problemen. Onderzoek bij
patiënten toont aan dat het gebruik van anti-afstotingsmiddelen
voorlopig een voorwaarde blijft voor langdurige overleving. Wel
worden in beperkte mate goede resultaten bereikt met een lagere
onderhoudsdosering van anti-afstotingsmiddelen. Echter dit blijft
momenteel, gezien de afstotingsgevoeligheid van het orgaan, toch
vaak riskant. De wetenschappers blijven op dit gebied wel bezig.
Nieuwe experimenten (vooral bij dieren) lijken uit te wijzen dat het
lichaam na verloop van tijd en onder bepaalde condities toch
tolerant kan worden ten opzichte van het donororgaan. Dit wil
zeggen, dat het lichaam het donororgaan mogelijk gaat accepteren.
Als dat zo is, zijn middelen tegen afstoting niet meer of in mindere
mate nodig. Voorlopig echter blijft dit voor de meeste patiënten
toekomstmuziek.
25.Waarom is het zo
moeilijk om het juiste middel tegen afstoting te vinden?
De grootste moeilijkheid bij het
vinden van het juiste middel tegen afstoting ligt in het feit dat
nog niet precies bekend is hoe afstoting ontstaat en welke factoren
daarbij een rol spelen. Daarnaast is het zeer moeilijk om een juiste
afweging te maken tussen het tussen het positieve effect van het
anti-stollingsmiddel en de negatieve bijwerkingen op de rest van het
lichaam. Het is nog steeds
niet mogelijk het immuunsysteem specifiek te remmen voor het
antigeen waardoor het geactiveerd wordt. Doordat het immuunsysteem
vrijwel totaal wordt lamgelegd, is de kans op infecties zeer groot.
Met de huidige medicatie in voldoende hoge dosering zal weliswaar
mogelijk zijn om afstoting te voorkomen, maar bijwerkingen zullen er
altijd zijn. Ieder mens is
uniek. Niemand heeft exact dezelfde lichaamscellen, dus is er grote
variatie in weefseltypering. Ieder mens reageert ook anders op
toegediende medicijnen. Het ligt daarom voor de hand dat ook iedere
getransplanteerde anders reageert op de medicijnen tegen afstoting.
Om deze reden is het dus extra moeilijk om per getransplanteerde het
juiste anti-afstotingsmiddel en de goede dosering vast te stellen.
In het begin zullen de artsen veelal op basis van trial and error
(het proberen en steeds bijstellen als het misgaat) middelen en
doseringen uitproberen. Het
vinden van een ‘gemiddelde’ patiënt om de lichaamsreacties in zijn
algemeenheid in kaart te brengen is nog niet mogelijk. Hierdoor is
het zoeken naar het juiste middel tegen afstoting erg moeilijk. Door
onderzoek en investeringen van de farmaceutische industrie worden de
medicijnen tegen afstoting steeds effectiever en
patiëntvriendelijker. Naar nieuwe en hopelijk definitieve producten
tegen afstoting wordt nog steeds uitgebreid onderzoek gedaan.
26.Waarom is het zo
belangrijk steeds de juiste dosering van medicijnen aan te houden?
Afstoting is een natuurlijk
gevecht van het lichaam tegen een vreemd, geïmplanteerd orgaan.
Anti-afstotingsmedicijnen bemiddelen in de strijd tussen eigen
lichaamweefsel en vreemd weefsel (donororgaan). Wint het lichaam,
dan kan afstoting optreden. Is het medicijn succesvol, dan is de
kans op afstoting gering. Echter, door de bijwerkingen kan het
medicijn niet onbeperkt worden toegediend. Er dient een balans te
worden gevonden tussen de optimale (liefs lage) dosering van het
medicijn en de natuurlijke reacties van het lichaam. Het vinden van
die balans is een ingewikkeld en intensief proces. Omdat het
bijzonder moeilijk is het juiste middel en juiste dosering van het
medicijn tegen afstoting per getransplanteerde vast te stellen,
spreekt het eigenlijk vanzelf dat de getransplanteerde zich volledig
moet houden aan de adviezen van de specialist. Hierbij hoort het
steeds op het juiste tijdstip innemen van de voorgeschreven
dosering.
Om de juiste dosering te bepalen is het noodzakelijk om regelmatig
de hoeveelheid medicijnen in het bloed te bepalen (de zogenaamde
bloedspiegel van een medicijn). Hierbij is het tijdstip van inname
uiterst belangrijk. Verander daarom nooit zelfstandig de dosering en
de tijd van inname van de voorgeschreven medicijnen!
27.Wat wordt er
bedoeld met de ‘kwaliteit van leven na transplantatie’?
Het leven moet de moeite van het
leven waard zijn. Ieder mens heeft zijn eigen invulling van dit
begrip. Over het algemeen wordt ermee aangeven dat de
getransplanteerde binnen de mogelijkheden die hij heeft een zinvol
leven kan leiden, niet te veel gehinderd door lichamelijke
ongemakken. Als de getransplanteerde bedlegerig en hulpbehoevend
blijft of veel last heeft van de bijwerkingen van de medicatie, kan
sprake zijn van een ‘slechte kwaliteit van leven’. Door extra zorg
te besteden aan verpleging en medicatie (bijvoorbeeld door
pijnbestrijding) kan in deze gevallen de kwaliteit van leven
enigszins worden verhoogd.
Kwaliteit van leven kan zowel fysiek als psychisch worden ervaren,
ook innerlijke rust en nieuwe denkkracht dragen erbij toe.
28.Hoe kunnen
patiënten reageren als ze horen dat een transplantatie noodzakelijk is?
Als de patiënt hoort dat hij
getransplanteerd moet worden omdat er geen andere uitweg meer is,
kan hij op verscheidene manieren reageren.
1.Vastberadenheid.
De meeste reacties getuigen van vastberadenheid. De patiënt
heeft de situatie al zien aankomen en is ervan overtuigd dat de
oplossing zal werken. Vol vertrouwen gaat hij de transplantatie
tegemoet, wetend dat na transplantatie wellicht een mooi leven
wacht.
2.Teleurstelling.
Er zijn ook patiënten die teleurgesteld zijn dat dit hun moet
overkomen. Waarom wij weer, denken ze vaak. Zonder overtuiging
wachten zij de toekomst af. Apathisch overbruggen zij de tijd op de
wachtlijst. Gelukkig blijkt na succesvolle transplantatie vaak dat
de gevoelens van teleurstelling snel vergeten zijn en ze de toekomst
weer zonnig inzien.
3.Ongeloof.
De patiënt gelooft de artsen niet en zal de voorgeschreven
behandeling negeren. Meestal is dit een eerste reactie. Later
verandert dat wel, vooral als het onvermijdelijke einde dichterbij
komt. Uiteindelijk heeft ieder mens de wil om te overleven.
Te horen krijgen dat een transplantatie de enige manier is om in
leven te blijven, is een traumatische ervaring. Dat wil zeggen, dat
het als zeer schokkend wordt ervaren. Doordat dit het denk vermogen
beïnvloedt kunnen verscheidene van hierboven beschreven reacties
ontstaan. Het kan voorkomen dat de patiënt er psychisch zelf niet
meer uitkomt en hulp nodig heeft bij het verwerken van deze
ervaring.
29.Wordt het karakter
van de ontvanger na transplantatie beïnvloed door de donor?
Er wordt wel eens gezegd dat de
ontvanger na transplantatie het karakter van de donor overneemt.
Vooral spiritueel gevoelige personen hebben soms het gevoel dat ze
veranderd zijn na transplantatie en nemen dan aan dat ze het
karakter van de donor hebben overgenomen. Echter, noch uit de
wetenschap noch uit de praktijk zijn hiervoor bewijzen te geven –
los van het feit dat de ontvanger zijn donor vaak eens niet kent,
dus ook zijn karakter niet. Het komt wel voor dat het karakter van
de ontvanger verandert door het ervaren van en zwaar trauma. Een
doodzieke patiënt, die wacht op een levensreddend orgaan, kan het
leven na transplantatie met volledig andere ogen aanschouwen dan
daarvoor. De doodstrijd heeft iets in hem losgemaakt dat zijn
karakter vaak positief en soms ten negatieve kan veranderen.
Daarnaast heeft de narcose misschien hierop ook invloed.
30.Hoe kunnen
getransplanteerde reageren als hun lichaam het geïmplanteerde orgaan
afstoot?
Er zijn verscheidene reacties
mogelijk. Vaak een positieve: de getransplanteerde weet dat het
erbij hoort en accepteert het feit dat afstoting plaats heeft.
Meestal is dit vooral uitvoerig met de patiënt besproken en kan het
dus geen verrassing zijn. Hij ondergaat de medische behandeling
daarvoor en vervolgt zijn weg.
Sommige getransplanteerde reageren met ongeloof. Zij accepteren deze
tegenslag niet en weigeren erin te geloven. Veelal moeten zij ervan
overtuigd dat de medische behandeling te ondergaan.
Soms zijn de getransplanteerde ervan overtuigd dat de constatering
niet juist is geweest, maar ondergaan ze de behandeling tegen de
afstoting gelaten.
Er zijn ook reacties van getransplanteerde bekend, die bij een
afstoting zichzelf gingen analyseren, om een volgende afstoting
eerder te kunnen opmerken.
Helaas zijn er ook gevallen bekend van getransplanteerde die zó
teleurgesteld waren door de afstoting dat zij niet meer aan een
behandeling wilden meewerken.
Het geconfronteerd worden met afstoting vergt psychisch gezien vaak
veel van de getransplanteerde. Vooral de eerste keer kunnen enorme
emoties loskomen. Meestal zorgt het transplantatiecentrum bij die
eerste afstoting voor een begeleider die de getransplanteerde en de
familie ondersteunt.
31.Waarom is familie-
en vriendensteun belangrijk bij transplantatie?
Familie- en vriendensteun is zeer
belangrijk, omdat transplantatie veel emoties met zich mee kan
brengen. Bekenden in de omgeving geven de getransplanteerde eerder
de gelegenheid deze emoties af te reageren. Hierdoor blijft de
spanning tussen lichaam en geest in balans, wat het herstel ten
goede komt.
Er zijn twee perioden van steun aan te geven: vóór en na
transplantatie.
Vóór transplantatie zijn de emoties van de patiënt zeer hevig. Hij
moet lang wachten en is bang dat het donororgaan te laat komt.
Na transplantatie kunnen de emoties eveneens heftig zijn. Er is
nooit zekerheid dat het goed blijft gaan. Afstoting, infecties en
overige complicaties kunnen optreden.
In beide situaties is emotionele steun van familie en vrienden zeer
belangrijk.
32.Mag een
getransplanteerde weer op vakantie?
Wanneer de ziekenhuisfase voorbij
is en de medische situatie stabiel, dan is er niets op tegen om op
vakantie te gaan. Het is een ideale manier om de moeilijke periode
achter te laten en nieuwe energie op te doen voor de toekomst.
Omdat het voor de eerste keer wellicht spannend is om weg te gaan,
is het raadzaam om niet al te ver van huis te gaan. Zoek ook geen
vakantieland uit waar de hygiënische omstandigheden slecht zijn.
De transplantatiecentra adviseren om in het eerste jaar na
transplantatie in de buurt van het centrum op vakantie te gaan. De
afstotings- en infectiekansen zijn dan nog groot, waardoor snel
contact met het centrum gewenst kan zijn.
Als de toestand voldoende stabiel is, kan één jaar na transplantatie
een vakantiebestemming worden gezocht die verder van huis en
transplantatiecentrum verwijderd ligt.
33.Welke
voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen als de getransplanteerde op
vakantie gaat?
Voorzorgsmaatregelen zijn:
Zorg altijd voor voldoende
medicijnen;
Zorg voor een document met
daarin de transplantatiegegevens en de gegevens van het
behandelende team;
Ga niet naar tropische en zeer
afgelegen vakantieoorden, zoals de binnenlanden van Afrika of
Azië. De kans op infecties is daar vele malen groter, met alle
gevolgen van dien;
Ga in principe niet naar
landen waar de medische zorg beperkt is, of waar de hygiënische
omstandigheden slecht zijn;
Vraag het transplantatieteam
welke maatregelen nuttig en noodzakelijk zijn. Let daarbij op
vaccinaties en op de complicaties daarvan;
Zorg voor een schoon hotel of
pensioen, bij voorkeur met eigen toilet en douche, vanwege het
infectiegevaar. Ga de eerste keer niet in een tent op een
primitieve camping staan.
Als de getransplanteerde naar het
buitenland gaat, moet hij ervoor zorgen dat de ziektegeschiedenis en
de medicijnengegevens in de taal van het vakantieland zijn
opgesteld. Daarbij moet worden aangegeven wie de behandelende
specialist is en waar hij bereikbaar is.
34.Wat zijn de
lichamelijke grenzen van een getransplanteerde?
Uit onderzoek is gebleken dat een
getransplanteerde maximaal tachtig tot negentig procent van de
normale conditie kan bereiken, de lichamelijke grens is daarmee
aangegeven. Na verloop van tijd leert de getransplanteerde zijn
lichaam kennen en daarmee de grenzen van zijn mogelijkheden. Hij
moet proberen zijn grenzen rustig uit te breiden, totdat hij voelt
dat de limiet bereikt is. Vervolgens moet hij binnen die grenzen
blijven, zodat de kwaliteit van leven maximaal is. Luisteren naar de
signalen van het lichaam is daarbij het meest belangrijk.
35.Mag een
getransplanteerde weer volledig in de zon?
Door het steeds dunner worden van
de ozonlaag is het inmiddels voor iedereen ongezond om volop in de
zon te zitten. Vooral tussen 11:00 en 15:00 uur. Getransplanteerde
lopen daarbij nog extra risico: het gebruik van medicijnen tegen
afstoting vermindert de weerstand tegen zonnestralen en dus tegen
zonverbrandingen. De kans op huidkanker is daardoor groter.
Medicijnen kunnen de werking van de zon versterken en daarmee het
risico nóg eens verhogen.
Voorzichtigheid is dus geboden bij het volledig in de zon zitten na
transplantatie. Gebruik altijd een zonnebrandmiddel met een hoge
beschermingsfactor en ga nooit onbeschermd in de zon zitten!
36.Mogen
getransplanteerde weer autorijden?
Iedere getransplanteerde voelt
zelf heel goed aan of autorijden mogelijk en verantwoord is. Een
orgaantransplantatie op zich is geen beletsel voor het autorijden.
Hoogstens kunnen medicijnen invloed hebben op het alert reageren in
het verkeer. De bijsluiter van een medicijn geeft hier uitsluitsel.
37.Wat is het verschil tussen
klinische en poliklinische behandeling?
Voor een klinische behandeling moet de patiënt
worden opgenomen in het ziekenhuis. De patiënt verblijft gedurende
de gehele, meestal meerdaagse behandeling in het ziekenhuis, dus dag
en nacht.
Bij een poliklinische behandeling is geen sprake van
ziekenhuisopname. De patiënt komt alleen voor dagbehandeling naar
het ziekenhuis of de polikliniek en mag dezelfde dag nog naar huis
terug. Het kan vóórkomen dat de behandeling enige dagen duren zonder
dat de patiënt in het ziekenhuis hoeft te overnachten. Ook dan is er
sprake van poliklinische behandeling.
38.Waarom is het contact met het
transplantatiecentrum zo belangrijk?
Contact met het transplantatiecentrum is zo
belangrijk, omdat men alleen daar weet wat er met de
getransplanteerde gebeurd is. Zij hebben het volledige dossier,
waarin precies staat wat belangrijk is voor een medische
behandeling. De getransplanteerde dient dan ook het
transplantatieteam op de hoogte te houden van alles wat hem medisch
is overkomen. Mochten andere artsen advies nodig hebben, dan weten
zij dat zij altijd terecht kunnen bij het transplantatieteam.
39.Welke rol spelen de huisarts en
regiospecialist na transplantatie?
De huisarts en de eigen regiospecialist zijn
eigenlijk de eerste vraagbaak bij kleine problemen. Klachten zoals
verkoudheden, snijwonden, griep en dergelijke kunnen door de
huisarts worden verholpen. Uiteraard doet hij dit altijd in overleg
met het transplantatieteam, vooral om de afstemming van de
medicijnen niet te verstoren. De getransplanteerde krijgt pas
toestemming om zijn vragen aan de huisarts te stellen nadat gebleken
is dat de medische situatie volledig stabiel is en de huisarts
hierover is geïnformeerd. De huisarts kan de regiospecialist
inschakelen voor andere dan aan de transplantatie gekoppelde
medische vragen. In overleg met transplantatieteam kan de
regiospecialist de patiënt behandelen. Steeds vaker doet ook het
transplantatieteam een beroep op de regiospecialist, vooral bij de
routinecontroles na transplantatie.
40.Bij welke situaties moet een
getransplanteerde contact opnemen met het transplantatiecentrum?
Bij ontslag uit het ziekenhuis na transplantatie
krijgt de getransplanteerde meestal een overzicht van de leef- en
procedureregels. Hierin staat precies in welke gevallen direct
contact moet worden opgenomen met het transplantatiecentrum. Het is
van levensbelang dat de patiënt zich aan deze procedure houdt.
Over het algemeen zal het transplantatieteam vertellen dat de
getransplanteerde altijd meteen contact moet opnemen met het
transplantatiecentrum, wanneer hij zich ziek voelt of koorts heeft.
Elke vorm van lichamelijk ongemak kan immers veroorzaakt worden door
een verstoring van de eerder genoemde balans tussen lichaamreactie
en medicijnen. Het onmiddellijk vaststellen van de oorzaak en het
aanpassen van de medicatie door het transplantatieteam is dan
uiterst belangrijk.
Na een bepaalde tijd en in een stabiele medische situatie, wanneer
de kans op afstoting en infectie kleiner is, kan contact worden
opgenomen met de plaatselijke specialist of huisarts.
41.Welke specialisten zijn betrokken
bij de nabehandeling van een transplantatie?
Diverse specialisten zijn betrokken bij de
nabehandeling van een transplantatie:
De orgaanspecialist: hij houdt zich bezig met
de conditie van het orgaan;
Functiespecialisten: zij houden zich bezig met
het onderzoek, waaruit de orgaanspecialist conclusies kan trekken.
Enkele specialisten zijn:
ecg-laborant, radioloog
(röntgenspecialist), echografist (echografie), verpleegkundige
(bloedafname, eerste contactpersoon bij controles), keel-, neus-
en orenarts en mogelijk nog anderen, waar nodig;
Niet-medische specialisten: maatschappelijk
werker, fysiotherapeut, psycholoog en anderen;
Tezamen vormen zij het transplantatieteam.
Daarnaast zal de getransplanteerde regelmatig contact hebben met
onderzoeksspecialisten: deze specialisten houden zich alleen met
wetenschappelijk onderzoek bezig, om daarmee behandelingmethoden
vast te stellen waarbij ook toekomstige patiënten baat kunnen
hebben.
42.Heeft een getransplanteerde en
speciaal dieet?
Vooral in de eerste periode na transplantatie zal
de getransplanteerde te maken krijgen met een speciaal dieet. Een
dieet, dat is gericht op het herstel van het lichaam: zoet- en zout
beperkt, cholesterol- en vetarm, vitaminen- en koolhydratenrijk. In
sommige gevallen wordt hieraan een suikervrij dieet toegevoegd.
Eigenlijk zijn deze diëten voor iedereen goed, dus zo bijzonder is
dat niet. Gebruik van alcohol wordt ontraden.
43.Is een transplantatie pijnlijk?
De transplantatie zelf is niet pijnlijk, want de
ingreep wordt onder volledige narcose uitgevoerd. Na de
transplantatiekan de getransplanteerde geen pijn voelen aan het
donororgaan. Immers, door de operatienaad tussen het eigen en het
donorweefsel zijn de zenuwverbindingen met de hersens verbroken. Dus
komen de pijnprikkels vanuit het orgaan niet bij de hersenen en
voelt de getransplanteerde niets.
De operatiewond zal in het begin wel pijnlijk zijn, evenals ook
andere organen die tijdens de operatie zijn verplaatst of
aangeraakt. Gelukkig zijn er pijnstillers die dit helpen verzachten.
De littekens kunnen in het begin pijnlijker zijn en blijven vooral
bij temperatuurverschillen door vooral weeromstandigheden irriteren.
Het went na verloop van tijd wel.
44.Welke voorzorgsmaatregel tegen
ziekten moet een getransplanteerde nemen na de transplantatie?
Zoals eerder aangegeven zijn getransplanteerden
gevoelig voor infecties veroorzaakt door ziektekiemen: virussen,
bacteriën, schimmels en protozoën. Het is daarbij van belang om
vervelende maagdarminfecties te voorkomen. Mijd daarom personen met
een besmettelijke ziekte en zoek ook geen onhygiënische plaatsen op.
Leef in principe volgens de voorschriften.
Zich houden aan het voedingsadvies en vooral niet-roken zijn
eveneens zeer belangrijk. Veel bewegen is zeer goed voor de algemene
conditie van het lichaam.
Het is helaas niet mogelijk om elke ziekte bij voorbaat uit te
sluiten. De natuur gaat altijd haar eigen gang. Mocht de
getransplanteerde ziek worden, schakel dan in ieder geval zo snel
mogelijk het transplantatieteam in; dat zal de juiste adviezen
kunnen geven en eventuele behandelingen instellen. Het
allerbelangrijkste is dat de getransplanteerde zich regelmatig laat
controleren, zodat ziekten tijdig worden onderkend. Hoe eerder de
ziekte wordt ontdekt, hoe groter de kans is op een succesvolle
behandeling. Vooral in de beginstadia van kwaadaardige ziekten zijn
er verschillende behandelingsmaatregelen beschikbaar om reddend op
te treden.
Vitale organen zijn organen
zonder welke de mens niet kan functioneren, bijvoorbeeld het hart,
de lever, de nieren, de longen en de alvleesklier (pancreas). Deze
organen kunnen na uitname hun functie in de ontvanger slechts weer
uitoefenen als de periode waarin ze van bloed (dus zuurstof)
verstoken zijn geweest, zeer kort was. Daarom wordt de overledene
kunstmatig beademd. Het hart zal dan stand kunnen houden, zodat de
vitale organen blijven functioneren tot aan de uitname.
46.Welke organen en
weefsels komen voor transplantatie in aanmerking?
De volgende organen kunnen worden
getransplanteerd: hart, longen, nieren, lever en alvleesklier.
Experimenteel wordt ook al dunne darm getransplanteerd.
Naast organen kunnen ook weefsel als huid, beenmerg, hoornvlies,
hartkleppen, botweefsel en bloedvaten worden getransplanteerd.
Inmiddels worden er ook experimentele transplantaties uitgevoerd van
hand en (onder)armen, echter met wisselend succes.
Het meest bekende donorschap is echter het bloeddonorschap. Het
afstaan van bloed voor andere is ook een vorm van transplantatie.
47.Wie kunnen donor
zijn en tot welke leeftijd?
In principe kan iedereen orgaan –
of weefseldonor zijn. Er is vrijwel geen minimumleeftijd, echter wel
een maximum. De donor moet in ieder geval hersendood zijn (zie
hoofdstuk 51), tenzij er sprake is van orgaandonatie bij leven. Of
iemand uiteindelijk ook donor wordt hangt af van het moment, de
oorzaak en plaats van overlijden. Ook de lichaamconditie en
kwaliteit van de organen en weefsel zijn van belang.
Mensen die besmet zijn met het HIV-virus of die een
bloedvergiftiging hebben, zullen geen donor zijn. Dragers van het
hepatitis B of C virus worden niet voor elke ontvanger geaccepteerd.
Mensen met een maligniteit zijn in principe geen donor, met
uitzondering van patiënten met een niet-uitgezaaide hersentumor.
De donatie van de longen kan plaats vinden tot ongeveer het
zestigste levensjaar (bij voorkeur tot maximaal 55 jaar).
48.Wat gebeurt er
tijdens een donorprocedure?
De donorprocedure wordt in gang
gezet als de hersendood is vastgesteld. Tijdens de procedure wordt
de potentiële donor ten behoeve van de transplantatie kunstmatig
beademd om de vitale organen in een goede conditie te houden ten
behoeve van de transplantatie. Het lichaam blijft daarbij warm en
beweegt met de ademhaling mee. Ook het hart klopt nog gewoon,
waardoor het lijkt alsof de donor nog leeft. Dit is niet het geval,
want de persoon is definitief overleden.
Na vaststelling van de hersendood zal een arts het donorregister
raadplegen om te controleren of de overledene zijn wens me
betrekking tot donatie heeft laten registreren. Als een persoon een
positieve wilsbeschikking in het Donorregister heeft laten
registreren en medisch gezien geschikt is voor donatie, dan is deze
persoon in principe een donor. Hiervoor hoeft dan geen toestemming
meer van de familie te worden gevraagd. In de praktijk zal de
behandelde arts ook bij een positieve wilsbeschikking, rekening
houden met de wensen van de familie. Mochten deze nabestaanden
zwaarwegende bezwaren hebben tegen donatie, dan zal de arts hun wil
respecteren. Bij toestemming is de overledene dus orgaandonor en
wordt hij aangemeld bij de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS).
In samenwerking met Eurotransplantatie International wordt dan naar
de juiste ontvanger voor de organen gezocht. Eurotransplant
bemiddelt ook de donoruitname en het vervoer van de donororganen
naar het transplantatieziekenhuis. Nadat de organen voor donatie
zijn uitgenomen, kunnen de weefsels(huid,
hartkleppen, bloedvaten, botweefsels, e.d.) beschikbaar worden
gesteld voor donatie. Hierbij wordt de Stichting BIS (Bio
Implant Service) ingeschakeld. De logistieke afhandeling van de
donor procedure wordt in samenspraak met NTS uitgevoerd door
de transplantatiecoördinatoren. De begeleiding van de nabestaanden
wordt verricht door het personeel van het ziekenhuis, in
samenwerking met de transplantatiecoördinator. De uitgenomen organen
worden met specifieke vloeistof gespoeld en in een ijsbox
getransporteerd. Voor ieder orgaan geldt een specifieke
(ischemie)tijd tussen donoruitname en implantatie bij de ontvanger.
Deze tijd is bepalend voor het behoud van een acceptabele kwaliteit
van het orgaan. Omdat na overlijden de kwaliteit van het donororgaan
afneemt, is het van belang deze tijd zo kort mogelijk te houden om
zo de kans op succes te vergroten. Het minimaal houden van de
ischemietijd is ook één van de redenen waarom donatie bij leven een
beter resultaat geeft.
De nu bekende maximale ischemietijd bij longtransplantatie is
6 uur ( bij voorkeur 4 uur).
Vlak voor de transplantatie wordt de kwaliteit van het donororgaan
opnieuw beoordeeld om tot implantatie over te kunnen gaan. Het komt
een enkele keer voor dat het orgaan dan alsnog voor transplantatie
wordt afgekeurd.
49.Wat is een
non-heart-beating donor?
Een non-heart-beating (NHB)
donor is een donor wiens hersendood is veroorzaakt door een
hartstilstand. Dit kan ook een hersendode donor zijn van wie het
hart voor het begin van de donatieprocedure stopt met werken. Sinds
kort zijn er technieken om van deze groep donoren organen voor
transplantatie te gebruiken.
Momenteel wordt gedaan naar non-heart-beating longdonatie. Hoewel
het onderzoek nog in de fase van het diermodel is, lijken de
resultaten hoopgevend voor de toekomst. Een probleem is dat de
longen na hartstilstand vaak verkleven en er soms longoedeem
optreedt.
50.Hoe kan iemand
kenbaar maken dat zijn organen voor transplantatie beschikbaar zijn?
Mensen kunnen op diversen
manieren kanbaar maken dat zij organen voor transplantatie
beschikbaar stellen, namelijk:
Door het
donorregistratieformulier in te vullen en in te sturen. Dit
formulier is op aanvraag verkrijgbaar bij de Stichting
Donorvoorlichting, en bij de huisarts en de apotheek;
Door het de familie te
vertellen, zodat deze op de hoogte is als de vraag om donorschap
aan de orde komt;
Door het aan de huisarts te
vertellen;
Door het invullen van een
donorcodicil;
Door het opmaken van een
wilsbeschikking/testament.
Elke donor is vrij om aan te
geven welke organen voor transplantatie beschikbaar zijn. Veelal
worden de nieren of hoornvlies en huid voor transplantatie
aangeboden. Steeds vaker worden ook hart, longen, en lever
beschikbaar gesteld, evenals overige weefsels en botten. Veel
ontvangers hebben hier, gelukkig ook voor langere duur, veel baat
bij. Wanneer een donor alle organen beschikbaar stelt voor
transplantatie, is er sprake van multi-orgaandonatie.
Het kan voorkomen dat iemand heeft aangegeven wel donor te willen
zijn, maar dat de organen niet voor transplantatie worden gebruikt.
Dit gebeurt als uit onderzoek vóór uitname blijkt dat de organen en
weefsels van de overledene niet geschikt zijn voor transplantatie,
of dat de bloeddruk en hartslag na overlijden niet optimaal
gereguleerd kunnen worden door apparatuur. Het kan ook gebeuren dat
pas ná uitname blijkt dat de organen of weefsels niet geschikt zijn
voor transplantatie. In beide gevallen zouden ze nog wel gebruikt
kunnen worden voor wetenschappelijk onderzoek dat gericht is op het
verbeteren van transplantaties. Desgewenst kan bezwaar hiertegen in
het donorregister kenbaar worden gemaakt.
Uit de praktijk blijkt dat het voor de nabestaanden zeer moeilijk is
om de donatiebeslissing te nemen indien de overledene zelf geen
beslissing heeft genomen. Hierdoor gaan veel potentiële donoren
verloren. Zorg daarom dat uw donatie- of wilsbeslissing in ieder
geval bij uw familie bekend is.
51.Wat verstaat
men onder hersendood en hoe wordt dat bepaald?
Hersendood is een diagnose van
overlijden die op grond van lichamelijk onderzoek wordt vastgesteld.
Van hersendood is sprake als de hersenen langer dan enkele minuten
bij een normale lichaamstemperatuur en zonder beïnvloeding door
medicijnen geen zuurstofrijk bloed krijgen. De hersenfunctie is dan
definitief en onherstelbaar uitgevallen. Een hersendode persoon is
overleden. Het vaststellen van de hersendood gebeurt aan de hand van
onderzoeken die worden omschreven in het wettelijk vastgestelde
Hersendoodprotocol:
1.
Voordat de hersendood kan worden vastgesteld, moet zijn vastgesteld
dat bepaalde oorzaken van bewusteloosheid en reactieloosheid (zoals
onderkoeling en vergiftiging) zijn uitgesloten. Daarnaast moet de
hersenbeschadiging onbehandelbaar zijn;
2. Uit onderzoek moet het ontbreken van
zowel bewustzijn als hersenstamreflexen blijken;
3. Uit aanvullend onderzoek in de vorm
van een elektro-encefalogram (EEG,
een ‘film’ van de hersenactiviteit) en een apneutest
)ademhalingstest) moet blijken dat er in de hersenen geen activiteit
meer is en dat er geen spontane ademhaling meer is.
De hersendood wordt zeer
zorgvuldig vastgesteld door de artsen en specialisten die de patiënt
behandelen. Dat zijn dus altijd andere artsen en specialisten dan
degenen die betrokken zijn bij de uitname en transplantatie van
organen. Om vitale organen voor een eventuele transplantatie in
goede conditie te houden, kan besloten worden de hersendode patiënt
kunstmatig te beademen tot de mogelijke uitname van die organen. Het
al dan niet geven van toestemming voor uitname kan iedereen
vastleggen in het donorregister.
52.Is het mogelijk
tijdens het leven organen af te staan voor transplantatie?
Orgaandonatie bij leven is alleen
mogelijk indien het betreffende orgaan gemist kan worden door de
donor en indien het gemis geen beletsel vormt voor een normaal
leven. In geval van hart en longen is orgaandonatie bij leven in
principe niet mogelijk, met uitzondering van een segment van de long
en bij een zogenaamde dominoprocedure (doorgeefprocedure). De
dominoprocedure komt zelden voor en is zeer speciaal. Ze kan gevolgd
worden bij hart(long)transplantatie en bij levertransplantatie.
Orgaandonatie bij leven kan alleen met nieren en (gedeelten van de)
lever. De belangrijke
weefseldonaties bij leven zijn bloed en beenmerg.
53.Welke
donatiesystemen zijn er en wat zijn de voor- en nadelen?
De meest voorkomende systemen
zijn:
1. Het
toestemmingssysteem
De wens om organen en/of weefsel
voor transplantatie beschikbaar te stellen, wordt vastgesteld in een
donorcodicil, een donorformulier, een wilsbeschikking of een
testament. Over het algemeen zullen nabestaanden deze wens nakomen
en uitvoeren. In sommige landen in West-Europa (waaronder Nederland,
Engeland, Denemarken en Duitsland) hebben codicillen een wettelijke
status. In dat geval hebben de nabestaanden de plicht de wens uit te
voeren.
In 1998 is in Nederland een centraal donorregistratie ingevoerd waar
alle wilsbeschikkingen met een vastgesteld donorformulier zijn
opgeslagen. In dit register kan men laten vastleggen of men
toestemming geeft of de donatiebeslissing overlaat aan de
nabestaanden of bepaalde personen. Bij een overlijden kunnen artsen
dit register raadplegen op al dan niet gegeven toestemming voor
donorschap. Daarnaast is er in Nederland de plicht om bij
niet-registratie aan de nabestaanden de donatievraag te stellen,
zodat alsnog toestemming kan worden verkregen.
Voordeel:
familie en artsen weten van de wens af, waardoor de procedure
sneller kan worden uitgevoerd. Snelheid van handelen is erg
belangrijk in verband met het kwaliteitsbehoud van de beschikbaar
gestelde organen.
Nadeel:
in geval van een donorcodicil zonder centrale registratie komt het
vaak voor dat het codicil niet snel vindbaar is en tijd verloren
gaat. Vaak wordt dan niet tot donatie overgegaan, ondanks de
eventueel achteraf gebleken wens. Dit probleem is opgelost met
centrale registratie, die 24 uur per dag toegankelijk is voor
raadpleging op eventuele toestemming. In sommige landen is er geen
plicht om de donatievraag te stellen, waardoor veel donoren verloren
gaan.
2. Het
geen-bezwaarsysteem (registratiesysteem)
Binnen het geen-bezwaarsysteem is
vastgelegd dat iedereen een potentiële donorkandidaat is, tenzij
schriftelijk centraal is geregistreerd dat iemand geen toestemming
verleent. Dit systeem wordt gehanteerd in België, Italië, Finland,
Frankrijk, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden.
Voordeel:
Iedereen is donor, waardoor de altijd gestelde donatievraag weinig
problemen zal geven en de procedure sneller kan worden ingezet.
Nadeel:
Personen die geen donor willen zijn, maar dat niet hebben gemeld,
worden toch beschouwd als donorkandidaten. Het kan vóórkomen dat
personen die niets gemeld hebben, volgens de nabestaanden toch tegen
donatie waren. Dan volgt een uitvoerig gesprek met de nabestaanden
en wordt de beslissing aan hen gelaten. Meestal is die negatief.
3. Het
required-request systeem
Bij dit systeem hebben de artsen
de plicht de donatievraag aan de nabestaande te stellen. Ongeacht of
het bezwaar of geen-bezwaar bekend is.
Voordeel:
Als dit systeem maatschappelijk is geaccepteerd, komt de
donatievraag niet meer onverwacht en hebben de nabestaanden hiermee
al rekening gehouden. Zij kunnen dan snel reageren.
Nadeel:
Het stellen van de donatievraag blijft moeilijk; het komt altijd op
een zeer emotioneel moment. Vooral als het gaat om een jong
familielid, kind, broer, zus, vader of moeder. De kans op afwijzing
blijft daardoor aanwezig.
Los van de hierboven genoemde
systemen zijn ook nog aanvullende matregelen om de orgaan- en
weefseldonatie te verhogen. Eén daarvan is de routine inquiry,
waarbij ieder ziekenhuis verplicht een donorprotocol heeft en tevens
verplicht is de toestemmingsvraag aan de nabestaanden te stellen.
Een ander maatregel is de required referral, waarbij ieder
ziekenhuis verplicht een donorprotocol heeft en verplicht wordt een
potentiële donor bij een orgaancentrum aan te melden. Veelal wordt
per land een combinatie van deze maatregelen genomen om het aantal
donoren te doen toenemen.
Omdat de donatievraag de allermoeilijkste vraag is die men aan
nabestaanden kan stellen, worden in de gehele wereld cursussen
gegeven om artsen en verpleegkundigen hierin te trainen. In
Nederland is hiervoor het ProDonor-programma opgezet. Uit onderzoek
blijkt dat dit een positief effect heeft op het beschikbaar krijgen
van organen/weefsels voor transplantatie.
54.Waarom is er nog
een tekort aan organen voor transplantatie?
Door de steeds betere resultaten
van transplantatie wordt deze medische ingreep steeds vaker
toegepast. Ook een eerder afgewezen groep patiënten komt nu voor
transplantatie in aanmerking, vooral omdat de leeftijdcriteria
worden verruimd. Het aanbod van donoren is echter niet meegegroeid
met de enorme vraag naar transplantatie. Hierdoor ontstaat een
wachtlijst voor mensen die getransplanteerd willen worden, maar die
moeten wachten op de organen en weefsels die nodig zijn voor
transplantatie.
Het blijkt helaas ook wel voor te komen dat aangeboden organen niet
worden gebruikt voor transplantatie. De oorzaken hiervan liggen
voornamelijk in de kwaliteit of de grootte van het orgaan en in
organisatie- of transplantatieprobleem.
De toenemende vraag, het beperkte aanbod en optredende uitval zijn
dus de redenen van het blijvend tekort aan donororganen.
55.Komt de
getransplanteerde te weten van wie het donororgaan is geweest?
In principe komt de
getransplanteerde niet te weten van wie het donororgaan is geweest.
De transplantatiearts zal hoogstens de leeftijd en eventueel het
geslacht van de donor bekend maken.
De identiteit (in dit geval de naam) van de donor wordt geheim
gehouden vanwege de eventuele geestelijke belasting die een
getransplanteerde kan voelen als hij wet wie de donor was. Dit zou
het herstellingsproces nadelig kunnen beïnvloeden. De nabestaanden
wordt evenmin verteld wie het donororgaan heeft ontvangen. Wel wordt
hun medegedeeld, meestal door de transplantatiecoördinator, hoe de
transplantatie is verlopen en hoe na verloop van tijd met de
anonieme ontvanger gaat.
56.Hebben leeftijd en
geslacht van de donor invloed op het succes van de transplantatie?
Elk lichaam, en dus elk orgaan,
heeft een beperkte levensduur. Om deze reden zijn leeftijdsgrenzen
gesteld aan donororganen. Voor lever en nieren is dit circa 75 jaar,
voor de overige organen (hart, long alvleesklier) is dit circa 65
jaar. Huid en hoornvlies kunnen zelfs tot respectievelijk tachtig-
en honderdjarige leeftijd worden gedoneerd. Genoemde leeftijdgrenzen
zijn alleen een richtlijn. Vooral lichaamsconditie en kwaliteit van
het donororgaan, evenals het moment, de plaats en de oorzaak van het
overlijden bepalen of daadwerkelijk van orgaandonatie sprake kan
zijn.
Voor de ontvanger wordt het orgaan geselecteerd dat ook qua leeftijd
het beste bij hem past. Geslacht of ras van de donor heeft geen
invloed op de levensverwachting van de getransplanteerde. De
weefselmatching tussen donor en ontvanger blijft het
allerbelangrijkste voor de overlevingskansen.
57.Wat kunnen de
gevolgen zijn van handel in organen?
In alle landen van Europa en in
de Verenigde Staten is handel in menselijke organen verboden. De
reden hiervoor is de ethische verantwoordelijkheid. Handel in
organen kan leiden tot mensonwaardige taferelen, zoals moord en
chantage. Gelukkig vindt die hier ook nauwelijks plaats, in
tegenstelling tot Azië en Afrika, waar handel wel voorkomt. Als
alleen geld het uitgangspunt is, kan er veel misgaan. Wie zegt dat
de juiste matching heeft plaatsgevonden? De handelaren zijn niet
gebaat bij een goede match, matchen kost tijd en geld. Zij willen
snel veel geld verdienen met de verkoop van het orgaan. Voor de
patiënt leidt dit alleen maar tot teleurstelling. Een goede match en
een deskundige begeleiding zijn absolute noodzaak voor een
langdurige overleving.
Om illegale handel in organen uit te sluiten, wordt in het
buitenland steeds vaker besproken over het opzetten van een
commercieel bemiddelingscentrum, dat organen voor transplantatie
tegen kostprijs werft en aanbied. Een goede matching en
voldoende kwaliteit kunnen daardoor worden gewaarborgd.
58.Welke nieuwe
transplantatietechnieken zijn er te verwachten?
Vanwege een aantal oorzaken
zullen steeds nieuwe technieken worden gezocht om transplantaties
uit te voeren. Enkele van die oorzaken zijn:
Het tekort aan donoren, het willen beperken van het gebruik van
medicijnen tegen afstoting, het verbeteren van de kwaliteit van
leven na transplantatie, en de leergierigheid van de wetenschap.
Op dit moment zijn de volgende, meest besproken technieken in
ontwikkeling.
Transplantatie
van dierlijke organen (xenotransplantatie).
Het gebrek aan donororganen
kan worden opgelost door organen van dieren voor transplantatie te
gebruiken. Uit onderzoek blijkt dat organen van apen en varkens
genetisch het meeste in de buurt komen van menselijke organen.
Hiermee wordt uitvoerig geëxperimenteerd. Echt bevredigende
resultaten heeft dat nog niet opgeleverd, vooral vanwege de
hyperacute afstoting. Daarnaast vreest men het overdragen van
dierlijke virussen op de mens. Met het voortzetten van uitgebreide
onderzoeken hopen de specialisten toch ooit goede resultaten te
behalen. Echter op korte termijn zijn de verwachtingen op succes
gering.
Het voordeel van transplantatie van dierlijke organen zou zijn dat
de patiënt niet lang hoeft te wachten op het beschikbaar komen van
een donor. De dieren kunnen voor dit doel worden gefokt, zodat men
een onbeperkt donoraanbod kan creëren.
Tot nu zijn op experimentele basis lever, hart en nieren van dieren
bij mensen getransplanteerd. Echter, klinische toepassing lijkt nog
niet echt dichterbij gekomen
Genetische
manipulatie van het donororgaan.
Nu de mensen
DNA-celstructuur,
waarin het erfelijkheidsmateriaal is vastgelegd, binnen het bereik
van de wetenschappers is gekomen, wordt momenteel hard gewerkt om
door middel van manipulatie van deze (donor)celstructuur de
overeenkomsten met de celstructuur van de ontvanger te vergroten.
Hierdoor zal het vreemd herkennen en daarom minder sterk of zelfs
niet meer reageren op dat vreemde orgaan, waardoor de kans op succes
zeker zal toenemen.
De kunstlong wordt dagelijks gebruikt bij hartoperaties met behulp
van de hart-longmachine. Voor langdurig gebruik is dit apparaat
echter ongeschikt omdat het veel bloedbeschadiging geeft. Onderzoek
naar langdurig gebruik is wel gaande, maar er is nog geen zicht op
de klinische toepassing. Voor kortdurend gebruik (enkele uren tot
dagen) is de kunstlong wel geschikt, vooral om de getransplanteerde
long tijdelijk te ondersteunen of om een zeer korte wachttijd op
donorlongen te overbruggen.
59.Is het mogelijk
dat bij nieuwe technieken medicijnen tegen afstoting niet meer nodig
zijn?
Bij kunstorgaantransplantaties
zijn geen middelen tegen afstoting nodig. Ook wordt in experimenten
onderzocht of door DNA-manipulaties
middelen tegen afstoting op termijn overbodig kunnen worden gemaakt.
Er is nog veel tijd en geld nodig om deze experimenten volledig uit
te voeren, totdat de resultaten betrouwbaar zijn en wetenschappelijk
onderbouwd. Mochten de resultaten positief zijn, dan zullen
toepassingen bij mensen snel volgen.
60.Kan een menselijk
lichaam een donororgaan volledig accepteren (tolerantie), zodat
medicijnen tegen afstoting niet meer nodig zijn?
Zoals eerder is aangegeven (zie
vraag 25), is het menselijk lichaam te ingewikkeld om zomaar het
juiste middel tegen afstoting te vinden. Tot nu toe is niet bewezen
dat een getransplanteerde zonder middelen tegen afstoting in leven
kan blijven. Helaas overlijden nog veel getransplanteerden aan
chronische afstoting, ook vele jaren na transplantatie. Wel blijkt
dat het lichaam na verloop van tijd een minimum aan medicatie tegen
afstoting nodig heeft om in balans te kunnen blijven. In het Engelse
Cambridge wordt onderzocht of, binnen de huidige
transplantatietechnieken, het lichaam uiteindelijk vreemde organen
kan accepteren en tolereren, waardoor medicijnen tegen afstoting
niet meer nodig zijn.
Wellicht dat DNA-manipulatie van donor of ontvanger het
stoppen van medicijnen tegen afstoting kan bewerkstellingen.
61Waar richt het
toekomstige onderzoek zich voornamelijk op?
Het toekomstig onderzoek richt
zich voornamelijk op:
Het verbeteren van de
transplantatietechnieken, waardoor een grotere operatieoverleving
mogelijk wordt;
Het verhogen van de tolerantie
voor donororganen bij de ontvanger, zodat minder middelen tegen
afstoting nodig zijn;
Het opwekken van tolerantie
bij de ontvanger. Hierbij wordt het afweersysteem van de ontvanger
zodanig bewerkt dat het lichaamsvreemde cellen (bijvoorbeeld
donororganen) niet meer als zonodig herkent. Er zullen dan geen
afstotingsreacties optreden;
Het verbeteren van medicijnen
tegen afstoting: een hogere effectiviteit met minder acute
bijwerkingen;
Het behandelen en voorkomen
van chronische afstoting. De acute afstoting lijkt redelijk onder
controle (echter niet uit te sluiten), maar het probleem blijft
toch wel de chronische afstoting. Hoewel de lange termijn
overleving de afgelopen tien jaar aanzienlijk is verbeterd, is het
resultaat toch nog niet optimaal. Onderzoek naar chronische
afstoting kan hieraan een positieve bijdrage leveren;
Het voorkomen van bijwerkingen
op de lange termijn, vooral kanker. Streven is dan ook om
uiteindelijk uit te komen op een minimale immunosuppresie
(middelen tegen afstoting), zodat het orgaan niet wordt afgestoten
en er geen vormen van kanker optreden;
Het verbeteren van de
houdbaarheid van een donororgaan buiten het lichaam, zodat in de
periode tussen uitname bij de donor en implantatie bij de
ontvanger het orgaan niet in kwaliteit achteruitgaat;
Het verlengen van de periode
tussen uitname en implantatie. Hierdoor zou het mogelijk zijn om
het orgaan over een langere afstand te vervoeren, wat het
leveringsgebied en dus het aantal potentiële donoren vergroot;
Het onderzoeken naar het nut
van weefselmatching. Geeft een betere
HLA-overeenkomst
tussen ontvanger en donor ook betere resultaten?
Het verbeteren van de kwaliteit van leven na transplantatie, door
een snelle revalidatie en minder medicijnen;
Het verhogen van het
maatschappelijke draagvlak voor transplantatie. Hierdoor komen
niet alleen meer fondsen vrij voor transplantatie, maar worden
getransplanteerden ook eerder geaccepteerd als gewoon
functionerende mensen, waardoor ze dus weer (betaald) kunnen
werken en sporten;
Het verhogen van de
beschikbaarheid van de donororganen, door de mensen te wijzen op
de voordelen van transplantatie en orgaandonatie.